Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1803 werd inderdaad veel van het oude weder hersteld; o.a. het recht van goedkeuring der beroepingen, het collatierecht, de tegenwoordigheid van Commissarissen Politiek bij de Synoden. In de vierde Constitutie van 16 April 1805 werd bepaald: er bestaat geen heerschende kerk. Het gouvernement geeft gelijke bescherming aan alle kerkgenootschappen binnen dit gemeenebest bestaande. De Raadpensionaris R. J. Schimmelpenninck bestuurde toen de kerkelijke aangelegenheden, en vertrouwde ze toe aan H. van Stralen. Men bleef nog altoos vasthouden aan het begrip van Provinciale kerken. Friesland kreeg zelfs ter wille der Floreenplichtigen een speciaal Wetboek en Kerkenorde voor de Hervormde kerken in Friesland, Julij 1804. De tractementen in Friesland droegen altoos een bijzonder karakter; de zoogenaamde suppletie tractementen en d e f i c i ttoelagen aldaar geven, volgens sommigen, wegens hun bijzonderen oorsprong een zeer bijzonder recht aan de gemeenten tegenover den Staat.

Toen het volgende jaar Louis Napoléon Koning van Nederland werd, zeide de nieuwe constitutie (de vijfde reeds): „Koning en wet verkenen gelijke bescherming aan alle godsdiensten in den Staat uitgeoefend. Door hun gezag wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk wordt geoordeeld betreffende de organisatie, bescherming en uitoefening van alle eerediensten." Nu werden de Roomschen bevoordeeld, terwijl de Hervormden bij voortduring werden gefnuikt. Bij eenvoudig Koninklijk Besluit werden, 2 Aug. T808, vijftig predikantsplaatsen opgeheven. Ook werd toen een Ministerie van Eeredienst ingesteld.

En wat, vraagt gij, geschiedde van wege de kerken in al die jaren van bangen nood? De kerkeraden bleven bestaan, predikanten werden beroepen, classen werden gehouden, en zelfs de Provinciale Synoden kwamen bijeen. In het voorjaar van 1797 kwamen zelfs te Utrecht, onder den naam vanKer-

Sluiten