Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

Blijvende Besturen zijn niet absoluut noodig. Vertegenwoordigers der Kerken, in vergaderingen te zamen komende, kunnen alles wat tot allen behoort bespreken en beslissen.

VII.

Behoudens eendracht in belijdenis, liturgie en tucht is elke Kérk zelfstandig in eigen kring, alleen gebonden aan het Woord en aan den Koning der Kerk.

VIII.

Alle Kerken hebben gelijke rechten, onafhankelijk van hun zielental.

IX.

Naar gereformeerde beginselen is de Belijdenis de vaste grond van het Kerkverband.

X.

Van de Kerken zelf moet de wettige Kerkorde uitgaan. XI.

Een volkomen zuiver kerkelijke Kerkorde heeft in de Nederlanden sinds 1576 niet bestaan. De Kerkorden, door de Burgerlijke Overheid uitgevaardigd, gingen uit van.de plaatselijke burgerlijke gemeente als grondslag en de Provincie als uitwendige eenheid.

XII.

Het woord Kerkgenootschap of Kerk als uitwendige eenheid dagteekent van na 1795.

XIII.

In de organisatie van 1816 staat het Kerkgenootschap op den voorgrond, en is de plaatselijke gemeente tot een deel van het geheel, en wel een ondergeschikt deel, gemaakt.

xrv.

Deze organisatie, in strijd minder met de geschiedenis dan met het wezen der Kerk, door onbevoegde macht opgelegd,

Sluiten