Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

harten den Heere Jezus zou kunnen prediken, maar ach! dat ik daar dan niet, daar dan nooit meer zou kunnen zingen, en zou kunnen laten zingen: „Dierb're Heiland , die mijn smarten, Die mijn schulden hebt getorscht • Dierb're Heiland, ook mijn harte eert U als den Leyensvorsi", en meer dergelijke. En dat was mij te zwaar! Dat offer kon en mogt ik niet brengen! En 't pleit was beslist: ik bleef in onze kerk, en zou er dan eerst uitgaan, wanneer, wat nu „de Heraut" wil, 'tin mijn oog verschrikkelijke onregt den Heere der heerlijkheid werd. aangedaan — om niet te spreken van 'tonregt dat daardoor ook aan de gemeente zou aangedaan worden, — dat geen Gezangen meer, als zoo even aangehaald , werden opgegeven, of zouden mogen opgegeven worden.

Zie daar, waarde vriend, wat ik, naar aanleiding van 't „vijftal opmerkingen" in „de Heraut" van 8 Pebr., u uit de volheid mijns harten schrijven moest. Maar veronderstelde ik, in 'tbegin van mijn brief, dat gij zeker reeds nota van dat „vijftal opmerkingen" zoudt genomen hebben, 't is welligt eene verkeerde veronderstelling. Misschien leest gij „de Heraut" niet, maar hebt gij voor dat blad bedankt, zooals ik daarvoor nu ook bedankt heb. Daarom zal ik ze hier voor u overschrijven, en ten slotte mijne opmerkingen, hoewel slechts met een enkel woord, daaraan toevoegen.

't Geheele stukje luidt aldus:

„Keer op keer ontvangen wij uit allerlei streken van ons land allerlei vragen over de Gezangen-quaestie.

Sluiten