Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Te Goes teruggekomen vond ik alles in rep en roer. Een adres van eenige gemeenteleden, die altijd mijne tegenstanders geweest waren, maar nu inderdaad een gereed wapen in de hand kregen om mij te bestrijden, was bij den Kerkeraad ingekomen. Ik duid het hun niet ten kwade, maar kan het goed begrijpen. Ja wat was er in mijn afwezigheid niet al geschied! Iedereen en alles scheen tegen mij. Mijne vrienden hielden bidstonden dat ik toch van de dwaling mijns wegs mocht terugkeeren. Ik geraakte in grooten strijd. Met over wat ik gezien en ervaren had. Dit wist ik te goed en kon ik nimmer te niet doen. Evenmin kon ik mijzelven beschuldigen, want ik weet dat wat ik heb gedaan, ik het gedaan heb in de gemeenschap Gods, met eerbied en godvruchtigheid, met geen ander doel dan om mijn medemenschen te dienen en met de liefde en blijdschap en vrede des Heiligen Geestes in het hart. Maar ik vroeg mij af: Wat moet ik doen ? "Wat wil God van mij? Is het niet raadzaam te zwijgen, de stormen te laten voorbijgaan, van het gebeurde geen gewag te maken en aldus alles tot de vorige rust te doen terugkeeren? Of is het mijn plicht en roeping om het licht dat God voor mij heeft doen opgaan over de toestanden aan gindsche zijde op den kandelaar te plaatsen, welke ook de gevolgen daarvan voor mij zijn mogen? Eenige dagen van zwaren strijd heb ik doorleefd. Maar de belofte: »Indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere, die aan een iegelijk mildelijk geeft en niet verwijt", was mijn voortdurende pleitgrond. Al door, al door was ik in het gebed. En God heeft mij verhoord en mij de overwinning in den strijd gegeven. En nu sta ik daar, in mijne kleine, kleine mate, met het oude woord van de apostelen: »"Wij kunnen niet nalaten te spreken van hetgeen wij gezien en gehoord hebben" en met het woord van Luther: »Dx kan niet anders, God helpe mij".

Dit is dan nu de derde maal in mijn christelijke loopbaan, dat ik verwaardigd word een aanstoot te worden voor iedereen: de eerste maal in Afrika, toen ik de partij nam voor de zwarten: de tweede maal te Nunspeet, toen ik den strijd aanbond tegen het Calvinisme; en nu op nieuw als een getuige voor de ontzaglijke en tevens vertroostende prediking, waarmede God in onze dagen de geesten van afgestorvenen zendt tot een in ongeloof en materialisme wegzinkende wereld en tot een voor zoo groot gedeelte wereldgelijkvormige en machtelooze Kerk.

"Want men wete toch dat wat met mij geschied is en in het stadje mijner inwoning en over de oppervlakte van ons

Sluiten