Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ting was begrepen en gedurig tot de elementen herleid werd, kan voor het veel volmaaktere etherische lichaam evenmin dienstig zijn als de huid van de rups ooit weer door den vlinder betrokken zal worden.

»Gij dwaas, hetgeen gij zaait wordt niet levend, maar een nieuw gewas", roept Paulus uit. Vleesch en bloed, de aardsche materie, beërven het Koningrijk Gods niet, worden niet over gebracht in de onzienlijke sfeer. Men had al dien onnutten strijd over de opstanding van het vleesch kunnen sparen indien men, in plaats van te philosopheeren, de feiten had opgezameld, die ons de heerlijke natuur van het volmaakte onverderfelijke geestelijke lichaam reeds in den tijd openbaren. Het sterk toenemend aantal van geestverschijningen, waargenomen door geloofwaardige personen, die daarvoor de gave des gezichts ontvangen hebben, heeft daaromtrent in de laatste 40 jaren een schat van kennis ontsloten; ja zelfs is het aan vele afgestorvenen vergund om zich niet alleen aan zieners te openbaren of in den droom, maar ook hun etherischen vorm zoodanig tijdelijk te consolideeren of met in de lucht aanwezige stofdeeltjes te overkleeden, dat zij ook voor het gewone oog van niet zieners in normale toestanden waarneembaar worden.

Zoo er ooit een tijdpunt is geweest waarop de profetie van Joël in vervulling schijnt te treden, dan zijn het deze laatste 40 jaren. En waartoe moeten die talrijke visioenen en droomen en openbaringen dienen? Ze hebben alle de strekking onze toekomst te verhelderen en antwoord te geven op de vraag van Job, te lang onbeantwoord gebleven, of althans slechts fluisterend beantwoord, uit vreeze van niet uit de Synagoge geworpen te worden. In Holland wordt deze ontwakende geestelijke gemeenschap met de onzichtbare wereld met hardnekkigheid onderdrukt, maar in Amerika en Engeland vooral, zijn door achtbare mannen en hoogbegaafde vrouwen reeksen van waarnemingen gedaan en feiten opgezameld, die bewijzen dat de menschheid niet aan zich zelf overgelaten is en ten ondergang neigt, maar dat er meer dan ooit uit hooger sferen op haar wordt geïnfluënceerd om haar op te heffen uit de banden der duisternis van zonde en geestelijke onkunde omtrent het innerlijk leven, het eeuwig blijvende in ons. Te lang heeft men de gemeente in slaap gesust dat ze met haar armoede aan geestelijke gaven, met hare onwetendheid omtrent het land onzer hope, te vreden moest zijn, dat die tevredenheid een liefelijke nederigheid was, enz.

Sluiten