Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overgelaten, bijna nimmer tot een goed eindiT konden komen door het onophoudelijke herzien, wijzigen, verwerpen en vernieuwen door de Synoden van den arbeid harer voorgangsters; — is de bevoegdheid en de verplichting der Provinciale Kerkbesturen versterkt, om door stemming eene door de Synode bewerkte en voorloopig aangenomen wet aan te nemen of te verwerpen. Dit laatste recht heeft de Synode dus volstrekt niet, omdat zij dan weder komt op den ouden treurigen weg, dat de jaarlijks afwisselende leden met hunne vaak uiteenloopende meeningen de zoo onmisbare eenheid tegenwerken En al duurt ook nu nog de weg lang, welke een. voorstel van wet moet doorloopen, eer het wet wordt, hij is niet te lang voor de kerkrechtelijke inrichting onzer kerk, in welke de Synode heeft „de hoogste wetgevende , rechtsprekende en besturende magt, onder de verschillende waarborgen, in het algemeen reglement en in bijzondere reglementën vastgesteld.

Ziet hier, medeleden der Hervormde Kerk! de geschiedenis van art. 62, zooals wij die woordelijk uit de Handelingen der verschillende Synoden hebben overgenomen. Was de lezing er van wellicht niet zoo aangenaam , als de wettelijke behandeling van kerkrechtelijke zaken in den regel niet zijn kan, wij gelooven toch van elk lid der Kerk te mogen verwachten, dat hij bij de verdediging van de belangrijkste zaken van zijn geloofsleven, ook alle min aangename onderzoekingen zal willen doen, om met kennis van zaken zijn oordeel te vestigen en de verdediging te krachtiger te maken. Omdat wij ons dit getroostten, zijn wij tot de slotsom gekomen, dat de wetgever onzer Kerk juist het tegendeel gewild heeft van wat de Synode in 1870 heeft uitgesproken.

Sluiten