Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de Semietische talen zijn de euphemismen zeer overvloedig vertegenwoordigd. Voor het modern Arabisch van N.-Afrika vgl. het belangwekkende artikel van Margais in „Orientalische Studiën Th. Nöldeke gewidm." I, p.425 w. en Nöldeke, „Neue Beitr. z. sem. Sprachwissensch.", p. 87 w.

Bij de laatst besproken groep hebben wij nu natuurlijk met een bewuste verandering of zelfs omdraaiing van de beteekenis te doen. Vaak wordt zulk een als euphemisme bedoeld woord in verloop van tijd als de normale en directe aanduiding gevoeld, zoodat dan weer een nieuw euphemisme noodig kan worden.1)

Gaan wij nu over tot de categorie van woorden, waarbij de beteekenisverandering geleidelijk tot stand komt en waarbij, zooals wij vroeger opmerkten, psychologische of cultuur-historische factoren in het spel zijn.

Van beide soorten zullen wij in het volgende een aantal instructieve voorbeelden beschouwen. Om daarbij althans eenigszins systematisch te werk te gaan, behandelen wij telkens eerst adjectiva (adverbia), dan substantiva en ten slotte verba. Niet altijd zullen wij deze groepen echter streng uit elkaar kunnen houden.

I. Beteekenisveranderingen uit psychologische oorzaken.

1. Adjectiva en adverbia.

Dat er onder de adjectiva vele zijn, die oorspronkelijk betrekking hebbend op bepaalde zintuigelijke waarnemingen naderhand worden gebruikt voor indrukken, die door een ander zintuig worden verkregen (synaesthesie), is uit de Europeesche talen bekend. Vgl. acer-aigre „scherp, zuur"; hooge boom, hooge stem, hoogrood; dieptreurig; zu>are zonde; verder het verschillend gebruik van adjectiva als ruw, grof, hard, eng,

*) Vgl. hierover de Vooys, Inl. tot de studie der woordbeteekenis, p. 49.

Sluiten