Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slag ligt, heeft in het hier gesignaleerde spraakgebruik haar welsprekende uitdrukking gevonden!

Psychologisch merkwaardig is de veel voorkomende beteekenisovergang van „dik, vet" > „dom, dwaas" (vermoedelijk via de beteekenis „traag, vadsig"). Lat. crassus, pingnis, Gr.

naxic, Hebr. tfflD (Ass. tapa.su);— vgl. tfst3(-|), Job 33.25

„dom, dwaas". Verder Jes. 6, 10: nrn ovr\ ai> ffltfn „hoe dom is het hart van dit volk"; ^3 „dwaas" - D^D3 „lendenen". Wellicht ook ; zie Gesenius WB. In Syr. sr\V2y, dat zoowel „dikte, corpulentie" (vgl. Hebr. 35; ) als „domheid, dwaasheid" beteekent, zijn misschien twee verschillende wortels samengevallen (vgl. Arab. ghabij, ghabawa), tenzij ook de genoemde Arabische woorden met den stam r~ay samenhangen. Opmerkelijk in dit verband is nog, dat Ned. snugger blijkens de woordenboeken oudtijds „slank, tenger, mager" moet hebben beteekend.

„Goed" gaat vaak over in de beteekenis „veel". Vgl. het Ned. spraakgebruik, waarnaar goed als „ruim" gebruikt wordt: een goed half uur; doe er goed zout op. Fr. bien des (opp. mal de), beaucoup; Hebr. „goed", Aram. «3^ „veel".

Ten slotte verdient hier melding gemaakt te worden van den samenhang, die in verschillende woorden uitkomt tusschen modale gelijkheid en gelijktijdigheid. Vgl. woorden als ei*n (effen), Dui. eben, Ned. juist, Dui. gleich, allemaal = „vlak, gelijk"; dan temporeel met verschillende nuances van beteekenis: „terstond, een poos, zooeven", e.d. Vgl. Lat. simïlis-simuU Hebr. ri3 „zóó, op dezelfde wijze" en „nu". (fa iV n»Dtf tsi>) en de praepositie j = Ned. „als", Lat. ut, Gr. t&c in beide beteekenissen.

2. Substantiva.

Zooals Lat. w'rfus met i>ir en Gr. dvógeïa met avr\q nauw

liever bij een „non liquet" moeten laten.

Sluiten