Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenzetting schijnt mij juist te zijn.

Ned. band (binden) leidt tot: bond = „een vereeniging of groep van menschen". Evenzoo: Hebr.^in /TUt»* ; Arab. 'oesba „troep" van 'sb „binden".

Hebr. pon (st. nan ) beteekent: „gedruisch"> (gedruisch makende) „menigte". Evenzoo Lat. turba (vgl. Gr. tvq^t]) en Ned. drom. Een soortgelijke ontwikkeling toont Hebr. TTD, dat als w.w. (Sirach) beteekent „gesprekken voeren, vertrouwelijk samenspreken" (evenzoo Arab. sawada) 1). Vandaar subst. TD „beraadslaging, geheim", dan: „gezelschap, vergadering". Te vergelijken is Ned. raad, verder parlement en Ital. conversazione = „conversatie" en „het converseerende gezelschap". — Door het bovenstaande wint het al vroeger uitgesproken vermoeden, dat Hebr. ?np etymologisch verwant is met ^Tp (vgl. de bekende voorbeelden als ?1D " ^DO enz.) 2) aan waarschijnlijkheid. Ik teeken hierbij aan, dat het Syr. nog een adj. S*U^np bewaard heeft in de beteekenis „schreeuwend, kijvend": KlTJ^np WTTON , „een kijfzieke vrouw". In het Arab. worden van den stam zmm en zam, die het geruisch of het rumoer van een menigte aanduiden, verschillende substantiva gevormd, die grootere of kleinere troepen kameelen beteekenen 8).

Hebr. "\VV „haar", mvv „gerst", w.w. ~)VV „huiveren" (jer. 2, 12) hangen nauw.met elkaar samen. De grondbeteekenis is: „stekelig, ruig". Vgl. Lat. Aorrëre (waarbij hordeum „gerst"), Gr. 0jjt£ „haar" (st. tqix) verw. zQa%vg ,,ruw"(?), Ned. #ers£ (st. gher „ruw, stoppelig"; vgl. Gr. %égoo?).

3. Werkwoorden.

Uit het begrip „scheiden" ontwikkelt zich zeer vaak de be-

!) In het Hebr. behooren ongetwijfeld hierbij; TTD1J Ps. 2, 2 en HD-ITI

Ps. 31, 14, ofschoon deze onder invloed van TD1 afwijkend gevormd zijn. 2) Zie Ges. WB. s.v. (>np 8) Hierover Dietrich, o.l. p. 244.

Sluiten