Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kenissen: 1. „schitteren, schijnen" Job. 29, 3:,tfK"i rulfoia, Jes. 13,10: OTW ïWl\ e.a. Vgl. Arab. hi/a/ „nieuwe maan" enz. Hierbij behoort waarschijnlijk ook subst. nWtPl in n?nn ntsVD Jes.61,31),HabJJ: ri?nni//rnn. Gesenius onderscheidt dit van het meer bekende: 2. „juichen, roemen". De gegevens ten aanzien van andere zinverwante stammen wijzen echter niet in die richting. Vgl. Hebr.?nx , Ps. 104, 15: DUS brvtrb en Jes. 12,6: Wit enz. (ook hier Ges. I en II; evenzoo König), nxs, Arab. „schitteren" (dageraad), hierbij Ass, pêsu „wit", Hebr. „luid juichen": um YWfi, enz. Het Syr. tvts komt in beide beteekenissen voor. 2) In het Ned. is schitteren-schetteren etymologisch hetzelfde woord. Vgl. ook de adj. schel en hel (van licht en van geluid; werkwoorden schallen en Dui. hallen), Fr. éclater (éclat de rire, de lumière, enz.). Ten slott noteer ik nog in dit verband, dat Ned. pracht in het middel- en oud-Hoogduitsch (braht) „luid geschreeuw" heeft beteekend. Men heeft in al deze gevallen veeleer duidelijke voorbeelden van synaesthesie te zien.

Hebr. n?x is oorspronkelijk een w.w. van beweging: „doorgaan", (Syr. „splijten") „varen, glijden", Ri. 14, 6 enz.:n?xm n rm r?» ; II Sam. 19, 18: pTD irr?m ; vandaar „goed gaan, dóórgaan, gelukken", vgl. Arab. nfd, „doordringen, succes hebben", flh I „splijten", IV „geluk hebben, slagen". Ned. voorspoed, Lat. succedere (succes).

Opmerkelijk is de vaak voorkomende overgang van de beteekenissen „bewaren, vasthouden" > „aankijken" (met den

x) Hierop wijst Israël Eitan in: Hebrew Union College Anmial, XII— XIII, Cincinnati 1937—1938, p. 85.

2) Zou de stam rfiO wellicht ook in dezen samenhang thuis behooren? Syr. rtXJ is „schitteren, schijnen", Hebr. tVti schijnt althans o.a. in gebruik geweest te zijn in de bet. „zingen, musiceeren". — Van den stam p"W, Bijbelsch-Hebr. = „fluiten" komt Sirach 50, 7 voor: npTttto tPQtf blijkbaar: „schitterend, stralend"; vgl. Arab. srk IV. Ook dit vermeld ik hier voorloopig p. m.

Sluiten