Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Beteekenisveranderingen uit cultuur-historische oorzaken.

1. Substantiva, adjectiva.

In zijn dissertatie over nevla en nlomog (Utrecht, 1925) heeft J. Hemelrijk de beteekenisontwikkeling van den Griekschen stam nev—nov besproken: nóvoq „arbeid", névrjs „arm" (eig. de middenstander, die moet werken voor zijn dagelijksch brood), dan jwvnoóg „slecht". Dezelfde evolutie heeft iióxdoc,— /Mx&riQÓc. „inspanning-moeite-leed-ellende-slecht". De laatstgenoemde beteekenis komt daaruit voort, dat de %qeïu de moraliteit ondermijnt en gemakkelijk tot geestelijke afstomping kan leiden *). Men denkt daarbij onwillekeurig aan Spr. 30, 9: „Geef mij armoede noch rijkdom, geef mij het dagelijksch brood, dat ik noodig heb, opdat ik U niet ten gevolge van overvloed verloochene en zegge: „Wie is God?" en aan den anderen kant niet door armoede ga stelen en mij vergrijpe aan den naam van mijn God." Dezelfde opvattingen en ondervindingen, die zich in de genoemde Gr. woorden weerspiegelen, vindt men in verschillende andere talen terug: Harde arbeid > lijden, verdriet > slechtheid. Gelijk bekend was evenals bij de Grieken in de oudheid ook bij de Romeinen de arbeid geminacht. De slaven waren ervoor om te werken; de vrije man behoorde zich daarmee niet op te houden. Arbeid gold als een last, als een noodzakelijk kwaad. In Israël daarentegen gold niet de arbeid als zoodanig als een vloek; de mensch was daar immers voor geschapen (Gen. 2, 15), maar dat de mensch ten koste van het zweet zijns aanschijns zijn onderhoud moest verwerven en aan den tegenstrevenden bodem in harden arbeid zijn vruchten moest ontwoekeren, dat werd ook daar als een vloek gevoeld (Gen. 3, 17 w„ vgl. Job. 7, 1 w., e.d. 2).) — Bij dit alles nu is de taal alweer de levende illustratie; vgl. Lat. labor „werk, ellende, ziekte" (st. lab, lapsus sum „neervallen, wankelen") — laborare „werken, lijden". Hebr. ?DJ? 1, werk, arbeid (Arab. 'amal) 2. „verdriet, lijden" ( pj'l 7DV , Jer.

!) Hemelrijk, Lc. p. 77, 87 enz.

2) Voor de waardeering van handenarbeid in het algemeen vgl. nog Sirach 38. 24 — 39. 11.

Sluiten