Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20, 18, enz.) 3. „slechtheid" (DSfi // büV, Ps. 7, 17 e.a.p.). De beteekenissen „ellende" en „slechtheid" zitten ook in Hebr.

(afleiding onzeker; misschien samenhangend met Arab. 'jn „vermoeid zijn"; in dat geval zouden dan al de drie beteekenissen van 70V ook hier vereenigd zijn). Hebr. ITIPi (mv. nïCT) beteekent 1: „ongeluk, verdriet" (Job 6, 2: VTirvY#M) 2: „slechtheid, onrecht" (Job 6, 30 // Hns e.a.p.). Vgl. verder Ned. snood, oorspr. „schamel, arm" > „slecht". Fr. méchant, volgens zijn etymologie (méchéant) „ongelukkig" > „slecht". Vgl. nog Ned. ellende naast: een ellendeling en Fr. Ie mal. Het Gr. xaxóc heeft als grondbeteekenis: „uitgehongerd, schamel" en wordt dan: „slecht". Geheel parallel hiermee Arab. tih „vermoeid, uitgehongerd" > „slecht". Ik noteer ten slotte, dat in het laat-Egyptisch en Koptisch een woord ebiên (= Hebr. pON ) bestaat (zie Gesenius WB. s.v. pONt), dat — wat Gesenius niet opgeeft — de beteekenis „slecht" heeft (Erman3 § 96). — Uit al deze parallellen schijnt te volgen, dat Gesenius s.v.PflH ten onrechte aangeeft: „1. Unfall, Verderben, Unglück. — 2. aktiv, was Verderben bringt, Frevel". Ook Ehrlich, Randglossen ad Job. 6, 2 noot: „mn heisst ursprünglich und eigentlich Unrecht, Frevel, und erst daraus, weil nach 5, 7 die schwersten Leiden durch schlechte Menschen verursacht werden, entsteht die Bedeutung „schweres Leiden" " geeft een onjuiste voorstelling, omdat, zooals ons gebleken is, juist omgekeerd de beteekenis „slechtheid" zich altijd pas uit die van „ellende" ontwikkelt. —

Bekend is de beteekenisovergang, die in vele talen voorkomt, van „vee" tot „bezit, geld" en vice versa, hetgeen natuurlijk allebei zijn grond heeft in hetzelfde feit, dat het hoofdbezit in vee bestond. Zoo heeft zich Hebr. ftPD (van rijp „verwerven, bezitten") gespecialiseerd tot „vee" en omgekeerd heeft (vgl. ttbl „dieren") den uitgebreideren zin gekregen van „have, goed". Evenzoo Arab. mal. Vgl. ook Arab. nakd „geld" met nakad „kleine schapen" en Hebr. ipp (II Ko. 3, 4, Am. 1.1) „schapenfokker". In de Europeesche talen vallen

Sluiten