Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nanstfl ?I?ö Ohnwi Deut. 28, 63 en in den Talm. mm wn // i"PniH nO»t) en Arab. nz". Ook Hebr. p'npn toont dezelfde beteekenisovergangen; vgl. Job 9, 5: htTi OHM ipt"Wön („van hun plaats rukken") met Gen. 12, 8 en 26, 22: DtfD pnin. Vandaar ook Spr. 25, 1: lpVïVn eigenlijk „van hun plaats wegrukken" > „overnemen, copieeren". In het latere Hebr.: „vertalen" 1). Zoo komt ook van nDJ Aram. NflDJ „afschrift", Ass. nishu, nushu „excerpt, copie"; vand. „een exemplaar, een lezing" — Ned. „uitrukken" van de troep, dat dezelfde idee schijnt weer te geven, is wel onder den invloed van Lat. evellere (signa) ontstaan, is dus oorspronkelijk een militaire term. De ontwikkeling is hier en daar dus niet precies eender, maar toch wel verwant.

O'DttTI „schouder") eigenlijk „het op den schouder of

rug van het lastdier laden" vand. „zich 's ochtends vroeg op weg begeven" ••), Vgl. Arab. srj, „de bagage op het rijdier leggen" > ,,'s nachts reizen" en den alg.-Semietischen stam ]Vü " ]VS „bepakken, beladen", Arab. ? n „reizen".

Arab. wtb beteekent „opspringen" (en gaan zitten) op een

kameel of ander rijdier. Dit is blijkbaar ook de oorspronkelijke beteekenis van het Hebr. aequivalent 216", dus „opzitten" en aangezien het Semietisch niet onderscheidt tusschen het inchoatieve en het statische (vgl. XX? ,1DV, enz.) „zitten, wonen", enz.3).

Hebr. DIJ heeft als eerste beteekenis: „zich verheffen, opspringen" (op het rijdier). Hieruit wordt duidelijk, dat men van dezen stam heeft: 1. subst. DJ (daarbij denom. DDIJnn „hooge staak" (zich verheffen), daaruit: „duidelijk zichtbaar teeken" > „wonder" en 2. DIJ „vluchten". In Jes. 30, 16:

1) Daarentegen behoort pPiïï „grootspraak" niet hierbij, maar bij pT-i>?

„oud-groot", vgl. ?TO in ni?nj matö pr?

2) Anders Ehrlich, Randgl. ad Gen. 19, 2. Zijn uiteenzettingen lijken mij evenwel niet overtuigend.

3) Voor V1?) (Hoogl. 4, 1 en 6, 5; beteek, onzeker), Talm. „opborrelen", Arab. gis „zitten" zie Nöldeke, Neue Beitr. z. Sem. Sprachwiss. p. 92 noot 4.

Sluiten