Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den adem: Hebr. VSi (vgl. t|W), rmvi (Vgl. 31M ,e«M) ,rtn; evenzoo Lat. animus, anima (verw. met Gr. Svefwg), Gr. nveiifia (van tivccü), (van yv%Q>), Roem. suf let.

Eindelijk verdient in dit verband aandacht de connectie tusschen DW „mensch" en nöTM „aarde", waarvoor het Lat. homo, dat voor etymologisch verwant gehouden wordt met humus, een merkwaardige parallel biedt. Dat de verwantschap tusschen beide woorden in het Hebreeuwsch altijd levendig gevoeld werd1), daarvoor zijn in de latere litteratuur bewijsplaatsen te over. Maar ook uit den Bijbel valt in dit verband althans een merkwaardige plaats te citeeren, n.1. Pred. 6. 10: ■uöo eppntp dp p? br K7i trw wn ~wtt mui io«f «npj 133 mw na Deze tekst wordt blijkbaar nog altijd vrij algemeen misverstaan2) in weerwil van het feit, dat reeds P. de Jong9) en na hem Wildeboer*) de ontwijfelbaar juiste interpretatie ervan hebben gegeven. De kwestie is n.1., dat hier een woordspel met rjlWHOTM bedoeld is. De beteekenis van het vers is: „Wat hij (n.1. de mensch) is, wel, zijn naam is eens voor al daarnaar genoemd (zooveel als: „staat reeds in zijn naam uitgedrukt"); daaruit is bekend, dat hij maar een „adam" is (aardewezen) en zoo een kan toch niet twisten met Hem, die sterker is dan hij."

Wij willen het voorloopig bij deze voorbeelden laten. Zij mogen den lezer den indruk gegeven hebben, dat de comparatieve methode ook op het gebied van de Hebreeuwsche en Semietische semasiologie tot een dieper en juister inzicht zal kunnen leiden, niet alleen in de precieze beteekenis der woorden zelf, maar vooral ook in al datgene, wat tot den zoo be-

!) Hetgeen natuurlijk voor den werkelijken oorsprong van die woorden en hun etymologische verwantschap niets bewijst.

2) Zoo vertaalt een van de jongste bewerkers van den Pred., B. Gemser (in Tekst en Uitleg): „Van al wat bestaat is de naam reeds genoemd, en bekend is aireede, wat van een mensch worden zal, en hij kan niet gaan rechten met Hem, die sterker is dan hij." — Dat dit een weinig bevredigenden zin geeft, behoeft geen betoog.

8) „De Prediker vertaald en verklaard", Leiden 1861.

*) In Marti's Kurzer Handkommentar, 1898.

Sluiten