Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„en zou dus zich voor zijn hart meer vrij gevoelen zoo hij de „roeping volgde, dan wanneer hij bedankte."

Het is te verstaan, dat Ds Evers naar Kockengen gaat, al zal de Classisverg. van Febr. 1849 nog daartegen protesteeren. Geesteren—Gelselaar met de gemeenten rondom zijn weer zonder herder en leeraar. Zelfs zal nu voor de kleine gemeente een vacature van ongeveer zeventien jaren aanbreken, want het zal tot 1865 duren voor Geesteren weer een predikant bezit.

Door een droeve gebeurtenis is het mij mogelijk u mee te deelen, hoe het verder met uw eerste eigen predikant is gegaan. Enkele maanden na de komst van Ds Evers in Kockengen wordt in Amsterdam de Synode gehouden van de Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk. 11—18 Juli 1849.

Uit het verslag van deze vergadering neem ik het volgende over:

Nauwelijks had de Synode eenen aanvang genomen of er had een ontzaggelijke gebeurtenis plaats. Ds A. Everts, Herder en Leeraar te Kockengen, was, ofschoon niet afgevaardigd, in de vergaderplaats verschenen. Z.Ew. behoorde onder een gedeelte der Afgescheidenen, dat niet kerkelijk vereenigd met ons handelt. ss) Bij het verlaten van zijne woning had deze Leeraar, gelijk later werd verhaald, zich des morgens eenigszins ongesteld gevoeld, en dewijl in zijne woonplaats de cholera hevig woedde, zoude hij gaarne zijn te huis gebleven. Evenwel was hij gegaan, niet zoo zeer om de Vergadering bij te wonen, maar omdat hij aangenomen had, te Ouderkerk dien avond te zullen preeken, en hoopte te Amsterdam eenen broeder te zullen vinden, die voor hem de prediking zou willen waarnemen, opdat hij zelf des avonds tot zijn huisgezin zou kunnen terugkeeren. Maar anders was in Gods raad bepaald. Toen Ds Everts de vergaderde broeders had begroet en eenige oogenblikken bij hen vertoefd had, werd hij door toenemende ongesteldheid gedrongen zich te verwijderen. Hl] begaf zich te bed ten huize van Ds S. van Velzen, die een gedeelte van het kerkgebouw bewoonde, waarin de Vergadering gehouden werd. De geneesheer geroepen zijnde, verklaarde, dat de zieke de cholera had, doch dat hij, gelijk het zich toen nog liet aanzien, welligt des anderen daags naar zijne woonplaats zou kunnen terug keeren. Eenigen tijd later nam echter de cholera in zoo hevigen graad toe, dat men geraden vond de vrouw van den lijder te halen. Hij zelf zelde te gevoelen, dat htj ging sterven, maar gaf zijne hoop te kennen, dat hij spoedig bij Jezus zoude zijn, en betuigde, dat zijn geloof alleen steunde op de geregtigheid van Christus. Daarna klom de benauwdheid des lichaams al hooger. De geneesheer, opnieuw gekomen zijnde, verklaarde thans, dat alle verschijnselen van een spoedig uiteinde aanwezig waren. De vrouw van den kranke kwam en vond haren man met den dood worstelen, en nadat zij nog eenige weinige uren aan zijn sponde had gezeten, was

SB) Hij stond aan de kant van Brummelkamp bij de z.g. Geldersche richting, die na 1846 tot 1852 afzonderlijk stond. Zie Rullmann a.w. pag. 284.

Sluiten