Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan de Jongelingschap.

i.

Ik wil eens spreken tot de jongelingschap. Laat de ouderen — ik bedoel de ouderen naar geest en hart — dit terzijde leggen en hunne oogen niet vermoeien met wat hun geen goed zal doen.

Ik veronderstel dat gij omstreeks achttien è. twintig jaar oud zijt, dat gij uwe leerjaren of uwe studiën hebt volbracht en op het punt staat het leven in te treden.

i Ik neem aan dat uw geest vrij is van bijgeloof, dat gij niet gaat luisteren naar de preeken van godsdienstleeraars en geestelijken, en, wat meer is, dat gij geen fatten zijt — treurige produkten van een maatschappij in verval — die met hun apengezichten en mooie kleeren flaneeren langs de trottoirs en alleen hun eigen vermaak zoeken tot eiken prijs. Ik neem, integendeel, aan, dat ge het hart op de rechte plaUts hebt en daarom spreek ik tot u.

Ik weet dat de vraag, die u het naast aan het hart ligt, is: Wat zal ik worden? Dit vraagt ge u zeiven telkens en telkens weer af. Inderdaad, wanneer men jong is, begrijpt men dat het niet aangaat ten koste der maatschappij leeg te loopen, na eerst jarenlang te hebben gestudeerd, — let wel — ten koste der maatschappij. Hij moet wel geheel ontaard zijn door ondeugd, die nooit heeft gedroomd eens zijn geest, zijne bekwaamheid, zijn kennis aan te wenden ter bevrijding van hen die daar kruipen in onweten heid en ellende.

Ook gij hebt zoo gedroomd, niet waar? Welnu, laat ons

Sluiten