Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geplaatst. Alvorens hieraan enkele beschouwingen te wijden, moge mij een kleine uitwijding zijn vergund op het gebied der kinder-psychologie.

Wanneer men zich bezint op de nooden van den Mensch in zijn verhouding tot den hem omringenden wereld, van welken hij een deel uitmaakt, dan kan men hierop ten antwoord geven, dat deze nooden zich in het bijzonder kenmerken door een onstilbaren drang naar veiligheid en zekerheid. Terwijl zekerheid door middel van het denken — het Menschelijke kenvermogen — kan worden bereikt of althans benaderd, ligt in het begrip: veiligheid veeleer een gevoelselement besloten. Het is het gevoel van veiligheid, het gevoel van geborgenheid, waarnaar de mensch steeds blijft haken in een alles overheerschenden levensbehoefte.

Men zou kunnen verwachten, dat de behoeften van het zeer jonge kind overwegend gericht zullen zijn op al datgene, wat aan de lichamelijke en geestelijke ontwildceling en groei ten goede zou moeten komen. In de terminologie van den kinderpsycholoog en wijsgeer William Stern zou men hier kunnen spreken van een autotelisch gericht zijn dezer behoeften. Behalve een wezen, dat volgens algemeen-biologische gezichtspunten bezien en begrepen kan worden, is de jonge Menschelijke persoonlijkheid echter daarenboven een wezen met behoeften van nog geheel anderen aard. Het is de behoefte tot vastknoopen en vasthouden van gevoelsbetrekkingen, welke haar in het bijzonder kenmerkt. In de eerste levensjaren zien wij deze affectieve behoefte op onmiskenbare wijze zich openbaren in de innige gevoelsbetreklring tot de moeder, welke gevoelsbetrekking naast een aanhankelijkheids — vooral ook in den beginne een afhankeüjkheids-betrekking is. Hier openbaart zich als het ware de wetmatigheid van een streven naar het doen voortbestaan van toestanden en gevoelsverhoudingen, ook wanneer de ontwikkelingsgang onverbiddelijk voortschrijdt. Het is, alsof de daadwerkelijke gebondenheid aan het moederlichaam na de gewelddadige scheiding bij de geboorte, zich tracht te blijven handhaven in een verhouding van gebondenheid aan diezelfde moeder, thans als affectieve nood beleefd. Maar daarbovenuit ziet men in deze zelfde affectieve behoefte aan gebondenheid aan de moeder den boven aangeduiden oer-Menschelijke drang naar veiligheid, gesymboliseerd in het beschuttende en beschermende Moederbeeld.

In diezelfde eerste levensjaren voltrekt zich in de jonge Menschelijke persoonhjkheid echter een ander geboorteproces n.1. de geboorte van het Zelfbewustzijn, de ontdekking van het eigen Zelf. Men zou hier gevoegelijk van een scheppingsdaad kunnen spreken, voor zooverre

Sluiten