Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog al te dikwijls wordt het individuahteitsbesef opgevat als een geesteshouding, welke in een zekere mate van afgeslotenheid een tegenstelling zou scheppen met de coUectiviteit m.a.w. met de gemeenschap. De groote beteekenis van het individuahteitsbesef voor de ontplooiing van het eigen Zelf, voor de ontwikkeling ook van het zelfvertrouwen, wordt nog niet algemeen ingezien. Toch behoeft het geen uitvoerig betoog, dat het gevoel van zelfrespect en van eigen volwaardigheid, waarin zich de zedehjke en geestehjke kracht van den Mensch weerspiegelt, ondenkbaar geacht moet worden in een toestand van ontbrekend individuahteits-besef. Het is dit besef, dat eenerzijds een gevoel van innerlijke vrijheid schept, anderzijds het verantwoordelijkheidsgevoel versterkt. Het voert den Mensch tot den wilsdaad, tot den moed tot overgave. Het is dan ook zeker juist, dat in ons begrip van geestehjke Volksgezondheid naast de behoefte tot het dienen der gemeenschap, naast de hefde tot den evennaaste, een ruime plaats wordt mgeruimd voor het individuahteitsbesef. Niet die Mensch vertegenwoordigt het ideaal van geestehjke gezondheid, die beheerscht wordt door een soort van kudde-instinct en uit gebrek aan individualiseering zich slechts veilig waant in de coUectiviteit, maar diegene, welke een harmonische verbinding heeft weten te scheppen tusschen gemeenschaps- en individuahteits-besef. Slechts dan ook heeft de geestehjke Volksgezondheid een bijzondere sociale waarde, wanneer het gevoel van saamhoorigheid de drager is van een drang door eigen initiatief mede te werken aan het algemeen belang. Vandaar dat de bevordering der geestehjke Volksgezondheid als haar meest belangrijke taak het oog gericht heeft te houden op het aankweeken van die eigenschappen, welke in het voorafgaande zijn belicht. Het zal rationeel worden geacht, wanneer men de overtuiging is toegedaan, dat uit prophylactisch oogpunt hierbij bijzondere aandacht wordt gegeven aan het zgn. moeilijk-opvoedbare kind, dat in meerdere of mindere mate aanpassingsmoeilijkheden vertoont aan het opvoedend milieu. Oogenschijnhjk zijn vele dezer sociale aanpassingsdefecten van geringe beteekenis, evenals de kindercriminaliteit als zoodanig in haar uitingsvormen weinig ernstig kan toeschijnen. In werkelijkheid is het toch zeker niet onjuist elk kwaad zoo dicht mogelijk bij den wortel aan te vatten en daar te bestrijden. Wanneer deze strijd gevoerd wordt met het ideaal voor oogen, dat niet slechts veel persoonlijk leed kan worden voorkomen, maar tevens de Gemeenschap op hechteren grondslag wordt geplaatst, dan kunnen de vele moeiten en offers zeker niet als tevergeefs gebracht worden beschouwd.

Sluiten