Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheele verschijning op het wereldtooneel: ik uw God, gij mijn volk, hebben zij verkondigd ja, maar zelf uitgevonden niet. Of mogen wij bij het gadeslaan der bijzondere betrekking tot het Opperwezen, waarin het zich door het Opperwezen geplaatst gevoelde, den invloed buifen aanmerking laten, dien de geheugenis van zoo menige lotwisseling op Israëls zeer bepaalde denk- en aanschouwingswijze heeft uitgeoefend ? Door de groote daden Gods, die het niet vergeten kon, is het voornamelijk gevormd, daden, niet zelden dienende tot kastijding en bestraffing, klare krachtige bewijzen, dat zijne geschiedenis de geschiedenis was eener goddelijke leiding, geschiedenis dus in ruimer en dieper beteekenis dan waarin bij andere natiën van geschiedenis sprake kan zijn: hoeveel was er dikwijls bij gemis van volgzaamheid te veranderen en te verbeteren, hoe dikwijls werd er na het oude, dat zijne vruchten gedragen had, een nieuwe tijd geboren, en hoe streefde alles naar een einddoel, heerlijk al werd het vaak misverstaan, waar alles op uitloopen moest. En onder die daden waren buitengewone, die juist om het buitengewone boven de gewone werden opgemerkt en opgeteekend. Door deze werd de zin voor openbaring opgewekt, kwamen Gods zedelijke eigenschappen, zijne heiligheid en zijne liefde, ten krachtigste uit, bleek zijne magt over alle wereldsche magten met groote duidelijkheid en met nadruk, en met die magt zijne eenheid. Niet eene abstracte eenheid, zooals in de godsdienststelsels van andere volken een eerste wezen wordt aangenomen, een oorspronkelijk wezen gedacht wordt als grond der wording van andere godheden, om daarna op den achtergrond te worden geschoven, min of meer in vergetelheid te geraken en zelfs niet vereerd of aangeroepen te worden. Neen, Israëls God was < altijd de eenige, de eerste en de laatste.

Sluiten