Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer rijp waren voor de mededeeling van het hoogste; dat zij, biddende en hopende, diep doordrongen waren van het besef hunner eigene onwetendheid en ledigheid, dat bij hen te sterker zijn moest, naarmate zij reeds door hunne natuurlijke gezindheid tot een hooger graad van wilskracht en inzigt opgeklommen waren, waarom zouden wij dit uit het oog verliezen, waarom ook dit niet gereedelijk erkennen ? Mechanisch zou het zijn, indien God van zijnen geest gaf, niet aan de dorstenden, maar aan de tragen en onbewogenen, aan hen, die verstandelijk en zedelijk zeer laag of het allerlaagst stonden. Is er 'inderdaad een inleven Gods in de wereld, doordringt hij het geschapene, kan hij zijne tegenwoordigheid overal doen gevoelen, waar en zooveel en op welke wijze hij wil, dan weet ik niet, of er wel afdoende reden bestaat, om de verzekering der profeten : de Heer spreekt, niet letterlijk, niet anders dan oneigenlijk te verstaan. Is God overal, hij kan ook in den mensch zijn. Maar hoe in den mensch? Alleen zoo als hij is in de onbewuste, zinnelijke natuur, als de kracht, die alle dingen draagt ? Alleen in 's menschen redelijke vermogens, die als goddelijke vermogens geëerd behooren te worden? Alleen in zoover als de mensch aan hem denkt en pogingen aanwendt om hem eenigzins te bevatten, gelijk de stralen van het licht in den spiegel zijn, die ze terugkaatst? Gods openbaring is niet gedwongen, noch bekrompen, niets minder dan het ruim heelal spreekt u van hem, hij zelf openbaart zich daarin. Maar hoe, is het dan zoo verwerpelijk, is het niet veeleer waarschijnlijk, noodzakelijk, dat God zich openbaart, niet enkel aan den mensch, maar ook in den mensch, in het menschelijk subject? De mensch is toch dat schepsel, hetwelk het naast aan God staat. God in hem,"ook om aan hem en door hem zich

Sluiten