Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vruchtbare bodem tot het voortbrengen van de ware godsdienstkennis moet beschouwd worden, hoe is het dan mogelijk, dat zij zelfs in onze maatschappij niet menigvuldiger en spoediger te voorschijn komt en uitspruit? De profeten van Israël blijven een eenig verschijnsel: het Godsbewustzijn onderscheiden zij van het wereldbewustzijn, zij wijzen niet naar het verledene om slechts het oude te herhalen, maar naar de toekomst, zij zijn ons de getuigen en de leermeesters der nooit geëindigde, altijd voortgaande Godsopenbaring.

Bij hen was de overtuiging onwrikbaar, dat zij spraken niet in hunnen naam, maar in Gods naam, dat zij hetgeen zij verkondigden niet aan zich zei ven, niet aan hunne ^ wijsheid te danken hadden, dat het steunde op zijn gezag, niet op het hunne. De leeuw brult, wie zou niet vreezen, de Heer spreekt, wie zou niet profeteren? Wij hebben dus hun zelfgetuigenis. Was het zelfbedrog? Lieten zij zich ongemerkt verleiden, om wat zij uit de diepten hunner eigene ziel verkregen hadden, met zoo groote verzekerdheid voor hoogere openbaring aan te zien en uit te geven ? Dan heeft niet één, maar hebben zoo velen zich laten verleiden, en dat niet gedurende een korten tijd, maar allen hun leven lang. Hun zelfgetuigenis verdient de opmerkzaamheid, omdat het gesteund wordt door hun zedelijken ernst, hun zedelijk karakter, door de opregtheid en het onbezweken geduld, waarmeê zij den kamp hebben volgehouden tegen hunne booze, vijandige tijdgenooten, tegen logen en afval. Noch onnoózelheid, noch geestdrijverij, noch hoogmoed maken hun zelfgetuigenis verdacht, integendeel de diepste ootmoed en de reinste bedoelingen spreken ons toe uit hunne daden en hunne geschriften, doen ons met eerbied op hen staren, als hei-

Sluiten