Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan voor, dat het religieuse van uw wezen aan zich zelf, uw geest aan zich zeiven openhaar wordt en aan uw geest wat er van God is in de eindige dingen, de eindige wezens. Openbaring is dan zelfopenbaring van den mensch, een in de wereld openbaar worden van God aan zich zei ven.

Maar is de religieuse neiging onzer natuur niet een voortbrengend vermogen? Neen, op zich zelve beschouwd, is zij een zeer behoeftig vermogen: aannemen wat haar van buiten wordt toegevoerd, de stof verwerken, die zij vindt, meer dan dit kan zij niet, zij is receptiviteit, verlangen naar een wezen, van welks voortreffelijke, eigenaardige natuur zij, zij alleen, een voorgevoel heeft, een wezen, dat alleen door haar zich tot den mensch in betrekking kan stellen. Van bijzondere openbaring te spreken is onderscheid maken tusschen het voedsel, dat de religieuse begeerte ontvangt. Waar de bijzondere openbaring ontbreekt, daar behelpt zij zich met de natuur, welker schoonheid zoo treffend, welker overwigt zoo groot is, met den mensch zeiven, die geheimzinnige stemmen in zijn binnenste hoort en op de vleugelen der gedachte zich zoo grootsch en zoo moedig verheft. Waar echter de bijzondere openbaring gegeven is, daar leeft de godsdienstige mensch niet langer van de fantasiebeelden der natuur, daar is God zelf, God boven de natuur, God de Schepper der natuur, zijn leven, daar is diens liefde en volmaaktheid zijn voedsel. En zoo verschillen de Heidensche godsdiensten van de Christelijke niet enkel gradu, maar specie. Of is het licht en de gestalte, waarin men in gene en in deze God en het goddelijke ziet, niet ongelijksoortig? Er is een ander gevoel, eene andere betrekking bij den vader en bij het kind, naarmate dit nog magteloos en onmondig geheel in de magt is van den vader, dien het vreest, op wien het instinct-

Sluiten