Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opregte liefde tot de kerk dringt u en mij tot de bede, dat het in onze kerk nimmer aan dusgezinde leeraars moge ontbreken, hooggeachte Leden der Synodale Commissie. Theologisch gevormde en godvruchtige Evangeliedienaars blijve in toereikend aantal onze kweekschool verschaffen. Ook aan uwe medewerking heb ik te danken, dat ik, van nu af, ter voorziening in die behoefte, de aangenaamste pligten vervullen mag. Gelukt het mij met Gods hulp, die voor mij nog nieuwe pligten eenigermate naar eisch te vervullen, dan kunnen mijne pogingen in de uitkomst nuttig zijn en gezegend. Dan zal het mij niet berouwen, dat ik mijne gemeente heb verlaten en uit de gewone Evangeliebediening, waarin ik mij zeer gelukkig heb gevoeld, getreden ben. Waarom zou ik ontveinzen of verzwijgen, dat het besluit, om het ambt van herder en leeraar neder te leggen, mij moeite, dat de keus van dit nieuwe mij ook opoffering heeft gekost? Maar, schoon op eene andere wijze en door andere middelen, ik zal in het Evangelie mogen dienen tot hetzelfde doel, dat ons allen na aan het hart ligt.

Zijn de beoefenaars der wetenschappen hoeders van de beste goederen der menschheid, uithoofde van deze edele roeping, betuig ik u mijne achting, Hooggeleerde Heeren, Professoren aan het Athenaeum Illustre, welks kweekeling ik eens geweest ben. Van mijne voormalige Hoogleeraars mag ik u nog aantreffen, Hooggeleerde Boot, wiens onderwijs bij mij de overtuiging heeft doen ontkiemen, dat zelfs eenige kennis van de klassieke oudheid voor de Godgeleerdheid in meer dan één opzigt van onberekenbaar nut is, dat voor den godgeleerde naast zijne eigenlijke studie geene meer aantrekkelijk is dan deze, en u, Hooggeleerde Moil, die zelf bezield met zoo hooge liefde voor den

Sluiten