Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus, mij geleerd en aangewezen hebt, hoe hij te allen tijde leefde in de kerk, leefde in de zijnen. Dit uur is mij een feestuur, omdat het mij toestaat, de dankbaarheid te uiten, die ik jegens - u beiden gevoel.

Om het doel dat ik beoog, hoop ik ook op uwe welwillende gezindheid, Hooggeleerde Heeren, Hoogleeraren aan de Seminaria des Doopsgezinden eh der Remonstranten. Op de plaats, waar de Voorzienigheid mij gesteld heeft, ziet gij een medearbeider, die bij het gevoel zijner zwakheid, dat hem tot vermeerderde krachtsinspanning aandrijven zal, zich toch innig bewust is van het streven, om in zijne geringe mate der Christelijke Kerk ten zegen te zijn.

Een zegen te willen zijn voor de menschheid, dit, edele jongelingen, Studenten aan het Athenaeum Illustre en aan de Godgeleerde Kweekscholen, bezielt ook u met moed en verlangen. Nadat ik het werkdadige leven ingetreden was, heb ik menigmaal aan het voorregt gedacht, dat gij nog geniet, dat ik eens genoot, van onverdeeld en ongestoord met de letteren en de wetenschap zich bezig te mogen houden. Toen de roeping tot mij kwam, die mij gebood heden het woord te voeren aan deze plaats toen lachte mij toe, toen boeide en trok mij de gedachte, dat ik, door die roeping op te volgen, tot dat uitstekend voorregt wederkeeren zou, en mij als levenstaak zou worden opgelegd, wat ook uwe taak is, kennis te vergaderen, op een gedëelte van het groote veld der wetenschap werkzaam te zijn. U zal ik daar als makkers en vrienden ontmoeten, Kweekelingen van ons Seminarium, u daar ter zijde staan met de wijsheid en de kracht, die ik afbid van God. Gij hebt gehoord, in welke rigting ik u zal voorgaan: aan u zij het verbleven te beoordeelen of gij

Sluiten