Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun in vroegere tijden zoo onmisbaar was; zoo dat zij zich nu niet zoo hartelijk, zoo aanhoudend als arm, blind en naakt, zoo schuldig en verdoemelijk aan Jezus opdragen en overgeven, Hem omhelzen, met afzien van zichzelven enalles buiten Hem, Hem op nieuw hart en hand geven, om door hem geleerd, gereinigd, geheiligd en geregeerd te worden. O, hoe treurig is het, wanneer menschen, die door genade aan zichzelven ontdekt zijn, die uit den dood overgegaan zijn in het leven, zoo ver verachteren in de genade, zoodat men wel mogt vragen: waar is uw geloof? Hoe velen helaas, zouden hier hun beeld geteekend vinden, die zich moeten schamen voor Gods aangezigt, over hun toegeven aan de listen van hun vleesch, en de begoocheling der wereld, wier leven thans verre af is van een opgewekt geloofsleven; die met Paulus niet kunnen betuigen: dat ik nu leef, leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij lief gehad heeft,* en zichzelven voor mij heeft overgegeven.

Het is waar de verstgevorderde op den Hemelweg, die door genade nog in beoefening op den weg des geloofs nabij den Heere mag leven, zal bij het inkeeren tot zichzelven veel stof tot schaamte en droefheid vinden, en moeten uitroepen: hoedanige behoorde ik te zijn in heiligen wandel en godzaligheid, en gedurig met David moeten zeggen:

Maar Heer! wie is de man, Die op 't naauwkeurigst' kan Zijn' dwalingen doorgronden?

Sluiten