Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren zwijgen, en zijn (hoewel hunnen ijver nog zeer onzuiver is) zeer tot beschaming van anderen die eene tegengestelde traagheid aan den dag leggen. Doch zij beginnen door het licht des Geestes allengskens het werkheilig beginsel te ontdekken, waaruit zij werkzaam zijn. Zij beginnen hunne eigene krachten meer te verliezen en in hunnen snellen loop te vertragen. Zochten zij heimelijk in de verborgene én openbare oefeningen, hunne geregtigheid te vinden (daar zij de waarheid: dengenen die gelooft en niet werkt wordt zijn geloof tot regtvaardigheid gerekend, noch niet kenden) nu leeren zij meer afzien, van aUe eigengeregtigheid. De H. Geest leidt hen nu in, dat alles buiten Jezus ongenoegzaam is, en dat zoo hunne geregtigheid niet overvloediger is, dan die der Schriftgeleerden en Pharizeën, zij het Koningrijk van God niet kunnen ingaan. Nu staan zij zeer verlegen, daar zij meenden van deugd tot deugd, en van kracht tot kracht te zullen voortgaan, en zij nu gevoelen dat zij in zichzelven niets vermogen. En daar zij te voren door hunnen ijver, vurig bidden en tranen storten, de kracht van het inwonende bederf als niet gevoelden, en daardoor meenden dat zij daarvan ontheven waren, zoo begint zich hetzelve meer en meer te ontdekken. Dikwerf komen er wederom hunkeringen naar de wereld of lust tot deze of die zonden, veelal tot die waaraan zij te voren het meest verslaafd waren; dit komt hun als onbegrijpelijk voor; zij worden bedroefd en geraken daardoor in twijfeling en vrees of hun werk

Sluiten