Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel in waarheid is; of zij zich niet bedrogen hebben. Daar de zondenlnsten toenemen, vragen zij wel: of dat met genade bestaan kan. Wel verre van op dat vorige werk en dien ijver, welken zij betoonden, zich te verheffen, zien zij er nu het eigen en werkheilige van in, en dit alles bestuurt de Geest Gods (hoe smartelijk hun de gewaarwordingen van hunne zonden en hun bederf vallen) om hen van alle eigene geregtigheid en van alles buiten Christus te doen afzien, als van een kleed waarmede zij hunne zielen niet dekken kunnen. Maar wat raad nu in hunne verlegenheid? Kunnen zij noch bij zichzelven, noch bij eenig schepsel heil, noch geregtigheid vinden die voor God bestaan kan? Moeten zij het dan moedeloos opgeven, en als bij de pakken gaan zitten, zonder eenig gegrond uitzigt of verwachting op behoudenis voor de eeuwigheid? Dat zij verre; er is een Held, bij Wien hulp besteld is; de Geest, die Zijn werk in hen begon, zet het, ondanks allen tegenstand der vijanden, voort: Hij doet hen toevlugt nemen tot Jezus. Zoodra de zondaar ontdekt wordt aan zichzelven, Gods regtvaardigheid eerbiedigt en zijne onwaardigheid en onvermogen erkent, wendt hij het op de nitnoodiging: Komt tot Mij en Ik zal u geenzins uitwerpen, wel tot Jezus, maar hoe! niet gansch ontbloot van alle eigene geregtigheid; o neen! hij kent Jezus dan nog niet als zijn volkomen Zaligmaker, noch zichzelven als gansch ledig, arm, blind en naakt. Hij is dan nog vervuld met werkheiligen ijver, en

Sluiten