Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. En koning Farao?

Farao en zijn leger verdronken er in.

5. Waar kwamen de Israëlieten toen?

In eene groote woestijn, waar God hen spijsde met manna uit den hemel en water uit eene steenrots voor hen deed komen."

6. Wat deed God meer voor zijn volk? Hij gaf hun, op den berg Sinaï, zijne wet,

en schreef die op twee steenen tafelen.

7. Waar moesten zij God openlijk dienen? In den tabernakel.

8. Hoeveel vertrekken waren daarin? Twee: het heilige en het heilige der heiligen, en het voorhof was er omheen.

9. Wat vond men in het voorhof?

Het brandoffer-altaar, en het koperen waschvat.

10. Wat in het heilige?

De tafel der toonbrooden, den gouden kandelaar met zeven lampen en het gouden reukaltaar.

11. En wat in hei heilige der heiligen?

De arke des verbonds, met het verzoendeksel, en de Oherubim daarboven.

12. Wie waren de priesters in den tabernakel? Aiïron en zijne nakomelingen.

13. Wie waren de Levieten?

Al de overige nakomelingen van Levi, die de priesters moesten bijstaan.

14. Welke zonde deed het volk in dien tijd? Zij maakten een gouden kalf om te aanbidden, en velen werden gedood.

15. Deden zij nog meer kwaad? ■

Ja; zij morden tegen God, omdat zij geen vleesch hadden.

16. Strafte

Sluiten