Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

a. Boerenstand en cultuur een tegenstelling?

Het komt mij voor, dat een drietal redenen de bespreking van dit onderwerp wenschelijk en urgent maken. Als eerste noem ik de voorstelling, die nog altijd leeft onder ons volk, dat boerenstand en cultuur begrippen zijn, die niets met elkander te maken hebben, ja wier samenvoeging hier en daar zelfs de lachlust vermag op te wekken. Met name de stadbewoner pleegt zoo graag voor zichzelf alléén den naam van cultuurmensch op te eischen. Dat is zijn trots en zijn glorie. En de uiting daarvan gaat gewoonlijk gepaard met een medelijdend gebaar over „die boeren", die van niets weten, onbeschaafd en onontwikkeld zijn, geen omgangsvormen en manieren in acht nemen, met hun tijd niet meegaan en feitelijk onder de volle menschen niet gerekend kunnen worden. ,,'t Is maar een boer!" — De geest van Nebukadnezar is nog altijd niet dood, die een inzender in „de Nieuwe Rotterdamsche Courant" indertijd de vrijmoedigheid gaf te schrijven:

„De groote steden zijn de centra van beschaving, waarmede is aangeduid, dat de landbouwers nagenoeg alles wat hun leven veraangenaamt, danken aan de steden. Alleen waar veel menschen tezamen wonen, is beschaving mogelijk. De landbouwers werken in hoofdzaak voor den stadsbewoner. Zij zijn er voor ons, niet wij voor hen".

Bij menschen van een dergelijke mentaliteit schijnt voorts zoo ongeveer alles geoorloofd te worden geacht, als ze met een boer te doen hebben. Men probeert hem beet te nemen, meent alles tegen een „boertje" te mogen zeggen, wat men zelf van niemand zou willen hooren of zich wel wachten zou, tegenover anderen zich te veroorloven. De anecdotes, waarin een boer de bespottelijke rol van domoor vervult, dien men van alles wijsmaken kan, zijn ontelbaar. Daarmee vermaken zich dan de menschen, die zoo'n hoog woord hebben over beschaving en cultuur!

Eerlijkheid gebiedt echter te erkennen, dat de boerenstand in zijn minst achtenswaardige vertegenwoordigers ook geen geringe schuld draagt. Velen hebben het er maar al te zeer naar gemaakt. Zoo lomp en zoo plomp mogelijk te doen, bij het onbeschofte af soms, was voor menigen boer nu weer zijn eer, waarop hij prat ging, met wederkeerig vermaak over spraak, zeden en gewoonten van die „kale stadslui", zooals de weinig liefelijke benaming der stedelingen luidde! Kennis verzamelen heette in die kringen overbodig voor een boer, ontwikkeling zoeken malligheid en aanstellerij. Zeer talrijk waren de gezinnen waar in 't geheel geen, of op zijn mooist één krant per week in huis kwam (en wat voor één dan nog?), waar de voorraad boeken het getal van de vingers aan beide handen niet te boven ging, terwijl het de vraag is, of zelfs deze wel ooit gelezen waren. En in het algemeen heerschte de gedachte: Een boer is een boer, wij kunnen nu eenmaal met andere menschen niet meedoen, we moeten ook maar niet probeeren iets anders te bereiken dan we van vader op kind in vele geslachten bereikt hebben. Een zeker „opzien" tegen alwie mijnheer was of althans een boord droeg en „letters gegeten had", als iemand van hooger orde, scheen een boer te passen. —

Sluiten