Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor moest hij tevens zijn eigen geest ontplooien, ontwikkelen, cultiveeren. Want ook die mensch zelf behoorde tot de Schepping. En ook hij borg nog ongekende mogelijkheden in zich, die er uitkomen moesten door oefening en „evolutie". En die twee moesten samengaan, elkander dienen. Hoeméér die mensch uitgroeide, hoeméér hij uit de aarde halen kon, hoe hooger hij die aarde kon doen beantwoorden aan de Eere Gods. Maar óók: hoe verder die aarde voortschreed in cultuurpeil, hoe meer middelen de mensch weer tot zijn beschikking kreeg om die aarde te bewerken en met zijn verworven kennis haar op een volgende trap van cultuur te brengen. Iedere uitvinding was een stuk cultuur en op haar beurt weer bron van verdere cultuur. Met andere woorden: De mensch moest ook uit zichzelf halen, wat er uit te halen was! —

b. Materiëele en geestelijke cultuur.

Het resultaat daarvan was tweeledig. De aarde zelf is stoffelijk. Al wat door cultuur uit haar voortgebracht wordt is dus van materieëelen aard. Maar het gevolg van 's menschen zei/cultuur of de ontwikkeling van zijn geest, is even vanzelfsprekend een geestelijk bezit. Zoo kunnen we onderscheiden tusschen materiëele cultuur en geestes- of geestelijke cultuur, waarbij dan onder het eerste worde verstaan: de cultuur van de aarde, dus alle werk van boeren en tuinders in hun bedrijf, en voorts al wat met behulp van de aarde voortgebracht wordt: gereedschappen, bouwkunst enz., terwijl onder geestescultuur vallen: de wetenschap, hoogere kunst enz. Deze onderscheiding moet natuurlijk niet al te ver worden doorgetrokken, want zuiver geestelijke cultuur bestaat niet, wijl alle uiting van den geest het lichaam en andere stoffelijke dingen als hulpmiddel noodig heeft en gebruikt. Ze dient alleen als onderscheiding.

c. Cultuur en beschaving.

Uit één en ander kan het verschil tusschen beschaving en cultuur duidelijk geworden zijn. Ze worden dikwijls als gelijkwaardig naast elkander genoemd, alsof beide hetzelfde zouden zijn. Doch geheel ten onrechte. Beschaving zit aan den buitenkant, terwijl cultuur (van den geest n.1.) iets innerlijks is. Al schaaft men een grenen plank nog zoo glad, ze wordt nooit eikenhout, maar blijft minderwaardig. Een ruwe eiken plank is nog altijd veel kostbaarder dan een geschaafde grenen plank. Feitelijk geeft beschaving alléén aan een mensch dan ook iets misleidends en leugenachtigs. Een boord en een lefdoekje zijn voor weinig geld te koop, maar de mensch, die ze draagt is daarom nog niet altijd een heer! Een snorretje volgens de laatste mode, gemanicuurde nagels en geschoren wenkbrauwen, plus een „Haegsch" accent maken iemand nog niet tot een cultuurmensen! Het gaat alles menigmaal gepaard met een volslagen gemis aan inhoud en wezenlijke cultuur. Aan deze uiterlijkheden wordt nog steeds onevenredig hooge waarde toegekend door stedeling èn boer, alsof het daarin zit en dat voldoende is. Zonder U te willen prijzen in het gezicht, verklaar ik uit bittere ervaring, dat ik in mijn leven het grofst behandeld en beleedigd ben door zulk slag lieden van beschaving, terwijl ik meermalen getroffen werd door adeldom van geest en fijnheid van manieren bij boeren en boerinnen, die in kleederdracht kwamen, dialect spraken, verschoten haren droegen en handen van ijzer gaven, maar een hart vol liefde bezaten en dat ongekunsteld lieten spreken, wars van alle mooidoenerij, oprecht en waar. Zoo'n boer is in de cultuur 60 treden hooger geklommen dan alle branies met hun aanhangsels van beschaving!

Sluiten