Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d. Cultuur en conservatisme.

Een ander punt dat onze aandacht vraagt, is de verhouding tusschen cultuur en conservatisme. Ze worden meestal beschouwd als onverzoenlijke tegenstanders, maar zijn dat toch niet altijd. Een jonge boer, die vader niet direct mee kan krijgen als hij met enthousiasme niéuwe dingen wil invoeren, is er gauw bij, den ouden man onder de conservatieven in te deelen. „Vader is ook altijd zoo conservatief". En zoonlief reikt zichzelf dan een attest van vooruitstrevendheid uit. Nu is inderdaad de gedachte van vooruitgang en beweging onlosmakelijk verbonden aan het begrip cultuur. En conservatisme komt van conserveeren, dat bewaren beteekent. Denk aan geconserveerde (dat is voor den winter bewaarde) levensmiddelen! Conservatief is dan iemand, die het oude bewaren wil. Dat kan heel verkeerd zijn, wanneer n.1. het oude met hand en tand bewaard wordt, terwijl het nieuwe beter of noodzakelijk geworden is. Verkéérd conservatief is dus een boer, die geen kunstmest gebruikt, omdat zijn voorvaderen het altijd met stalmest alléén deden, die geen machines in zijn bedrijf duldt, alléén, omdat vroeger ook alles met de hand of met paarden gebeurde. Zulk conservatisme houdt de cultuur tegen en is ook van Christelijk standpunt veroordèelenswaardig. En doorgaans neigen de ouderen daartoe 't meest, terwijl als regel de stoot tot verdere cultuur door een jongere generatie wordt gegeven. Het nieuwe lokt de jeugd aan en ze heeft er nog energie voor gelukkig. Het nieuwe is evenwel niet altoos beter dan het oude. En er bestaat ook een heilig conservatisme, dat het goede bewaart tegen het radicalisme van een beeldenstorm, die wel erg „vooruitstrevend" is, maar tegelijk kostbare cultuurschatten verwoest zonder er andere, laat staan betere!, voor in de plaats te geven. — ■

Dat heilig conservatisme wordt, gelukkig, onder ons Christenvolk gevonden, (naast veel uerkeerde behoudzucht), en dat heilige conservatisme heeft ons bewaard voor heel wat cultuurrampen, voor de rotte cultuur. Want die is er, helaas, óók! —

e. Zondige cultuur.

Immers de zonde is in de wereld gekomen en Adam heeft zijn cultuurtaak gestaakt. Hij is Gods vijand geworden in plaats van Gods bondgenoot en medewerker. Hij wilde en hij kon toen zijn God niet meer dienen op de rechte wijze, ook niet in Zijn cultuurtaak. Hij bleef na den val nog wel cultuurwerk doen, maar het beginsel, waaruit hij leefde, was verkeerd, om slechts dit ééne te noemen: hij zocht de Eere Gods niet meer. Hij ging de aarde en zijn geest met alle gaven en krachten erin gebruiken voor zichzelf en tegen God. .

Zóó ontstond de. goddelooze, anti-goddelijke en anti-christeirjke cultuur, die ons de Schrift van het begin af teekent in het geslacht van Kaïn, Babels torenbouwers, Egypte, en de latere groote wereldrijken en wereldsteden, waarvan Babel wel het meest beruchte type is geworden door Nebukadnezar's tergende uitspraak: „Is dit niet het groote Babel, dat ik gebouwd heb, tot een huis des Koninkrijks, door de sterkte mijner macht en ter eere mijner heerlijkheid?" Daarop moest het uitloopen, want „alwat uit het geloof niet is, dat is zonde". En zoo is dan alle cultuur, die niet naar Gods Woord gericht is, principiëel verkeerd. En dat verkeerde cultuurbeginsel leeft zich het sterkste uit in de groote steden. Het ligt m den aard der zaak. Daar hoopen zich de menschen op, daar stroomen de duistere elementen samen, omdat ze zich verbergen kun-

Sluiten