Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven, geen cultuur-verachters zijn, de cultuur niet in handen van de wereld laten, maar ze hebben te staan in het volle menschenleven, met al de energie, die hun verheerlijkte Heer en Koning den Zijnen instort door Zijn Geest, mee te arbeiden aan het groote cultuurmonument, dat God in Christus tot Zijn eeuwige glorie bezig is op te richten! — Dat is de roeping van alle Christenen, stedelingen en plattelanders, elk op zijn plaats en wijze.

IV.

a. Eigen Christelijke Boerencultuur.

Welke plaats nemen in dat geweldige werk nu in: de boeren en de boerenstand? Dat is de laatste vraag, waarin al het voorgaande zich toespitst! —

En dan wil ik hier pleiten voor een eigen boerencultuur, nader bepaald: een eigen christelijke boerencultuur. De roep om dat eigen karakter van boerenleven gaat de laatste jaren telkens op, b.v. in „Landbouw en Maatschappij". Doch afgezien van anderen, volgt deze gedachte direct uit onze Christelijke cultuurbeschouwing. Wij gelooven immers, dat de veelkleurige wijsheid Gods zich in heel de schepping demonstreert en in ieders leven en levenswerk tot uitdrukking komt, zóó, dat die veelkleurigheid en oneindige verscheidenheid straks in het N. Jeruzalem niet wordt üitgewischt, maar nog veel schooner zal uitblinken. Ook voor wat we op de nieuwe aarde zijn en beteekenen zullen, zal van belang zijn, wat we op deze aarde gedaan hebben, óók of we boer of stedeling zijn geweest. Ons werk toch stempelt onszelf, evengoed als omgekeerd ons werk hét merkteeken van óns, van persoonlijkheid en karakter, draagt. Zoo mogen wij niet miskennen of verwaarloozen het eigen schoon, het bijzondere, dat God aan boerenstand en boerenleven schonk. Het stelt U in staat, een eigen, zeer bijzondere bijdrage voor het cultureele leven te leveren.

g. Dat eigene in ons werk zelf.

Dat eigene ligt allereerst in uw dagelijksch werk. Ge hebt het nu toch begrepen, dat alle arbeid aan den bodem, aan zijn gewas, aan het vee, aan de natuur besteed, zelf cültuurarbeid is. Denk aan Gen. 2 : 15! — Verlaagt uzelf niet door uw bedrijf slechts op te vatten als noodzakelijk kwaad, omdat ge anders niet leven kunt! Ook uw dagelijksch werk is dienst van God. Het is Gods akker, dien gij bouwt, Gods vee, dat ge fokt en verzorgt. Daarom moeten die akkers schoon zijn en uw koeien glanzen. Daarom kunt ge nooit teveel studie maken van uw bedrijf en is het Christenroeping, alles te leeren en aan te wenden, dat akker, vee en gewassen kan veredelen. In het streven daarnaar moeten wij Christenen niet achteraankomen, maar vóórop gaan! Een boer, bij wien ge de koeien niet zien kunt van de stekels en de brandnetels of het korenveld stikt van het onkruid, wordt niet alleen rechtvaardig arm, maar hij staat schuldig voor God wegens plichtsverzuim. De Heere wil, dat Zijn land en Zijn gewas en Zijn koeien er goed uitzien! Daarin nalatig te wezen, wordt door geen jagen naar diploma's en bezoeken van vergaderingen en geen stads-manieren goedgemaakt. Wij zoeken het vaak veel te ver en veel te hoog. Maar het eerste is, dat we goede boeren en tuinders zijn, zóó, dat het aan ons bedrijf en ons werken te zien is: hier woont een Christen! Dat geeft Christelijke, materiëele boerencultuur.' —

Sluiten