Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van Garijp van zoo groote beteekenis is geweest als een der „voortrekkers", wel deze uitzondering mag gelden.

Hem gold dus het bezoek van de deputatie uit Garijp, die door een benoeming werd gevolgd. Na eerst zijn toekomstige standplaats te hebben bezocht, nam Meester Lub de benoeming aan en reeds binnen een week na het vertrek van den heer Van Dehn had Garijp zijn nieuwen hoofdonderwijzer in zijn midden.

Onder het nieuwe hoofd nam ook de school gestadig in leerlingenaantal toe. En al waren er toen nog geen wetsbepalingen omtrent de grootte der lokalen en omtrent de voor iederen leerling beschikbaar te stellen vloeroppervlakte, onbeperkt kon het aantal in één schoollokaal te brengen leerlingen toch ook niet zijn. In 1872 werd daarom door het Bestuur besloten een tweede lokaal bij te bouwen. Ook de woning werd toen nogmaals verbouwd en o.m. de nu nog bestaande achterkamer er bijgevoegd.

Dat bracht nogal wat kosten mee. De noodige gelden konden evenwel worden geleend op zeer voordeelige voorwaarden van de Vereeniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs, die, door de verstrekking van gelden op langen termijn en tegen een geringe jaarlijksche annuïteit, niet alleen te Garijp, maar op zeer veel andere plaatsen op deze wijze aan de stichting van Chr. scholen en haar uitbouw heeft medegewerkt.

't Is duidelijk, dat voor één man de taak, om zooveel kinderen te onderwijzen, te zwaar viel. Daarom werden — en dat gebeurde ook hier — door de hoofdonderwijzers kweekelingen opgeleid, die overdag mee moesten helpen in de school en daar hun practische opleiding ontvingen en 's. avonds en op vrije dagen theoretisch onderricht ontvingen van den „Bovenmeester". De eerste kweekelingen, die van Meester Lub hun opleiding ontvingen — de arbeid, aan de kweekelingen besteed, werd eenigermate beloond door het schoolbestuur — waren Roel H. Walda en W. J. Veltman, welke laatste, nadat hij zijn onderwijzersakte had behaald als eerste hulponderwijzer de school heeft gediend, zoodat ieder lokaal nu zijn eigen meester had. Dit was in 1872.

In September 1873 vertrok de heer Lub naar Oldebroek. Zeven jaren was hij dus aan de school van Garijp verbonden geweest. Zijn eerste periode. In zijn plaats wérd, na onderscheidene bij anderen mislukte pogingen, als hoofdonderwijzer benoemd de heer P. de Mol—Moncourt, die van Ooster-^Jijkerk overkwam en tot 1883, dus tien jaren de school heeft gediend. En niet alleen die van Garijp. Want door het schrijven van leerboeken, die voor de Chr. School waren bestemd, heeft hij mede menige Chr. School geholpen. Geschikte leerstof, doortrokken van den goeden Christelijken geest, was toen nog schaarsch. Vooral gedurende het „hoofdschap" van Meester De Mol—Moncourt heeft het Bestuur der school zeer veel moeite gehad de finantiën der school eenigermate op peil te houden. De inkomsten waren dering, vooral door te laag ingezette schoolgelden; de vrije bijdragen vloeiden traag in de moeilijke jaren na den PranschDuitschen oorlog: de „tachtiger jaren".

'tKwam zelfs zoo ver, dat de hulponderwijzer beurtelings bij één def Bestuursleden voor 3 maanden „in den- kost" werd gedaan, (de hulponderwijzers werden in dien tijd ook nog niet verwend!), omdat de finantiëele commissie niet bij machte was, voldoende geldmiddelen voor een gering salaris bijeen te brengen. Lang hield deze maatregel geen stand. Was misschien het onderscheid tusschen de onderscheidene kosthuizen te groot? Tenslotte werd besloten den onderwijzer een vast kosthuis te bezorgen bij het bestuurslid K. Boersma, die gewoond heeft waar nu de

Sluiten