Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het jaar 1905 bracht voor bet Christelijk onderwijs in ons Vaderland opnieuw belangrijke voordeelen, tengevolge van de totstandkoming van de Schoolwet-Kuyper. Welk een ommekeer sinds 1878. Toen moesten desnoods „de minderheden maar worden onderdrukt"! (Kappeyne) Nu een belangrijke Stap in de richting van finantieele gelijkstelling. Voortaan werden de minimum-salarissen ook voor de bijzondere onderwijzers door het Rijk — aan de schoolbesturen — gerestitueerd. Een uitkomst ook voor die onderwijzers, wier salarissen tot dien tijd het in den regel niet konden halen bij die van hun „Openbare collega's". En nog te meer, nu ook de Burgerlijke Pensioenwetten voor hen van kracht werden. Daarbij kwam dat aan de schoolbesturen voor hun gebouwen een behoorlijke jaarlijksche rente werd vergoed. Wel mocht dankend worden genoemd: Reheboth!

In 1906 trad dit alles in werking. Een mooie bepaling, wat dé pensioenregeling betreft, was deze, dat door de oudere onderwijzers ook hun vorige dienstjaren pensioengerechtigd konden worden gemaakt, door de betaling van een inkoopsom, waarvan het bedrag afhing van het aantal in te koopen dienstjaren. Overigens moest door de onderwijzers jaarlijks 7 % van hun salaris in het pensioenfonds worden gestort; thans is dat 10 %. (Premie-vrij is het dus niet!)

Bijzonder ook voor Meester Lub, die al de jaren van zijn pensioneering naderde, was die pensioenregeling een uitkomst. Maar de inkoopsom was aan het aantal dienstjaren evenredig en voor hem geen klein bedrag. Het Schoolbestuur nam daarom wat hun hoofdonderwijzer aanging, die.som voor zijn rekening; het kon daarmee in hoofdzaak de zorg voor een „emeritaatstraktement", waartoe het zich straks toch wel zedelijk verplicht zou gevoelen aan Meester Lub uit te keeren, van zich afwentelen. Zoo waren beide geholpen!

Door de betere subsidie-regeling daartoe bij machte, werd in 1907 besloten een zesde leerkracht aan te stellen. Het leege schoollokaal, dat enkele jaren als bergplaats voor allerlei dingen had gefungeerd, kon nu als onderwijslokaal in gebruik worden genomen. Zoo was het geheele gebouw bezet! In datzelfde jaar 1907 kwamen aan den horizon van den — trots vele met Gods hulp doorworstelde moeilijkheden — helderen schoolhemel onweerswolken opzetten.

Meester Lub werd oud; hij had reeds bijna den 70-jarigen leeftijd bereikt Een leeftijd, dié, hoe jeugdig van hart iemand zich dan nog mag voelen, hem toch niet geschikter maakt, om de dikwijls lastige schooljeugd in de stokken te houden. Dat werd ook door het Schoolbestuur gevoeld. Het eigen geregelde bezoek van de door het Bestuur daarvoor aangewezen Commissies, had volgens de verslagen in de notulen daarvan niet bijzonder gerept. Ook wat het rapport over de klas van Meester Lub betreft, was dit meestal onverdeeld gunstig.

Toch werd aangevoeld, dat verandering gewenscht was; en immers ook in de bedoeling lag van den wetgever, die pensioneering op 65-jarigen leeftijd mogelijk had gemaakt.

Maar de heer Lub scheen er niet aan te denken, zijn pensioen aan te vragen. Inderdaad was hij physiek sterk, al bracht zijn aard mee, dat hij bij iedere kleinigheid, die hij aan zijn lichaam voelde, al dadelijk het ergste vreesde 1). Toch was vrij zeker niet dit de oorzaak van zijn talmen met een ontslagaanvrage. Die lag in hoofdzaak daarin, dat hij en vooral zijn vrouw en dochters uit zijn derde huwelijk er bezwaar in zagen van het

1) In dit opzicht geleek hij op Mr Willem BUderdijk, dien hij vooral in de dagen ▼an strijd met het schoolbestuur, ook in de klas dikwijls citeerde (o.m. uit den „Rondedans in futuro om een doodkist").

Sluiten