Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schoolbestuur afdragen. In het daaropvolgende jaar klom dit tot ƒ 494.95. Mooie bedragen, die wel te pas kwamen. Vooral toen langzamerhand ook het onderwijs in de nuttige handwerken meer hulp vroeg en dus meer begon te kosten. De eerste hulp, die aan Mej. B. Keuning, die reeds van 1906 af de school als onderwijzeres diende, x) werd toegevoegd, was Mej. A. Wierda. Later kwam daarbij Mej. H. Walda, welke na haar huwelijk met A. Mulder door haar zuster D. Walda werd opgevolgd.

Ook werd in dien tijd een Commissie van Toezicht op het onderwijs in de nuttige handwerken benoemd, die ook hier als op de meeste plaatsen meer beteekenis bleek te hebben als eere-baantje voor de functionarissen dan voor den bloei van het vakonderwijs.

Wat overigens de onderlinge verhoudingen betreft, behoudens kleine strubbelingen met enkele leden van het personeel, die geen wortel schoten en enkele moeilijkheden in den eigen kring van het Bestuur, die ten «lotte ook weer een bevredigend einde vonden, konden deze goed worden genoemd, afgedacht van de eigenaardige organisatie van de Vereeniging, die meermalen aanleiding gaf tot een beweging die op een meer „democratische" verhouding doelde.

Ook werd, gedurende het hoofdschap van Meester Kuil, een proef genomen met het herhalingsonderwijs, welke wegens gebrek aan de noodige belangstelling bij de jeugd spoedig mislukte.

Het leerlingenaantal was van wisselenden aard en varieerde, met inbegrip ook van de leerlinjwi beneden zes jaar, tusschen 220 en 240.

Ook had nogal wisseling plaats van personeel, de getrouwen, als Meester Meinte K. Hoekstra en Mej. Keuning uitgesloten.

Voor schokkende gebeurtenissen bleef de school bewaard.

In Januari 1914 ontving Meester Kuil een benoeming als leeraar aan de Chr. Kweekschool te Amsterdam, welke benoeming door hem werd aangenomen, waarom hij tegen 1 Mei van dat jaar eervol ontslag aanvroeg, wat hem door het Bestuur werd verleend. De heer Kuil vertrok later uit Amsterdam naar Stadskanaal, om daar een betrekking bij het M.O. te aanvaarden. Nog staat hij niet geheel buiten het L.O. en wordt hij soms nog in één of andere functie geroepen in dienst der Regeering.

Hij is de eenige nog in levend zijnde der oud-hoofdonderwijzers van onze jubileerende school en zou gaarne nog bij de officieele feestelijkheden, waartoe het Bestuur in beginsel reeds had besloten — indien niet de moeilijke tijdsomstandigheden daarin verandering hadden gebracht — tegenwoordig zijn geweest.

JQe benoeming van den heer Kuil bracht voor het Bestuur weer de noodzakelijkheid mede, om naar een nieuw hoofd om te zien. Stelde men zich eerst voor, zonder oproep van sollicitanten, maar een viertal te goeder naam en faam bekend staande schoolhoofden te bezoeken, om daaruit z.m. een keuze te doen, bij nader overwegen besloot men om per advertentie in de „Standaard" een oproep te doen. Alleen „hoofden in functie'' mochten naar de betrekking dingen. Vijftien sollicitanten meldden zich aan, uit verschillende deelen des lands. Hieruit werd een drietal gekozen, dat zou worden bezocht. Een 5-tal bestuursleden bracht dit bezoek met Meester Kuil als onderwijs-deskundige.

Na uitgebracht rapport, waaruit bleek, dat meer dan één wel geschikt werd geacht, werd na ernstige overweging een benoeming uitgebracht op

1) Zij trad in 1918 in het huwelijk. Na het overlijden van haar echtgenoot werd zij op 1 Jan. 1931 opnieuw als onderwijzeres aan de school benoemd, die zij tot heden met liefde en trouw dient.

Sluiten