Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leden; deze weer het Bestuur) maar rechtstreeks door de leden der Vereeniging het Bestuur wordt gekozen. *)

Ook werden de verhoudingen tusschen Bestuur, hoofd en overig personeel betejr geregeld en meer overeenkomstig de plaats welke elk dezer instanties in het geheel der schoolorganisatie behoort in te nemen. Gelijk in heel het leven hangt van de juiste verhoudingen dikwijls de rust en de vrede af. Althans als de liefde tot de zaak allen drijft en de een den ander uitnemender acht dan zich zelf.

Door Gods genade konden ook de verhoudingen onder het personeel steeds goed worden genoemd. De eenheid der school werd steeds gezocht en zooveel doenlijk bevorderd. En bij alle strubbelingen — waar hebben ze niet plaats bij zondige menschenkinderen — kwam het toch nimmer zoover, dat het gemeenschappelijk gebed voor school en kinderen en voor elkander werd verhinderd.

Rustig kon worden gewerkt aan den geregelden voortgang en de verbétering van het onderwijs, ook in verband met de behoeften van den tijd.

De gevolgen van de Schoolwet 1920 waren althans in dat opzicht voordeelig. De finantiën werden wat ruimer. De jaarlijks van de Gemeente ontvangen rente van de getaxeerde waarde der schoolgebouwen leverde een flinke bijdrage voor de schoolkas, die eerstens kon worden gebruikt om de oude schulden af te lossen en later, toen door de verhooging der leerlingenschaal van Rijkswege minder leerkrachten werden vergoed en ook de exploitatiekosten, die nu uit de Gemeentekas kwamen, al hoe langer hoe meer daalden, konden dienen, om aan de „kweekelingen met akte", waarvan er vele hebben geholpen om door hun arbeid het onderwijs op peil te houden, een wel veel te geringe, maar in vergelijking met wat elders gebeurde en nog geschiedt, toch eenigermate draaglijke vergoeding te geven.

Aan die kweekelingen komt voor hun meestal ingespannen arbeid voor de school veel dank toe. Gelukkig, dat velen van hen, na korter of langer tijd, een vaste plaats bij het Chr. onderwijs mochten verwerven, 'tzij aan eigen school, 'tzij elders.

Aan onderscheidene der onderwijzers en onderwijzeressen mocht het gelukken de hoofdakte of na-akte te verwerven. Aan talenstudie werd weinig gedaan, ook al, omdat het voor de school — vooral sedert den opgang die de U.L.O.-scholen maakten — van weinig beteekenis zou zijn.

Meer dan één van de in deze in 1917 aangevangen periode aan de school verbonden leerkrachten mocht het genoegen smaken zelf een betrekking als hoofd eener Chr. school te verkrijgen. We denken daarbij aan de Hü J. Lautenbach, (nu reeds door den dood van zijn post ontheven) H. Haagsma, A. v. d. Berg, J. Strikwerda (ook reeds ontslapen in den Heere), A. Bergsma, F. v. d. Velde, S. Bruinsma, J. Kooistra, L. Visser en J. Meijer.

Het onderwijs in de nuttige handwerken werd op hooger peil gebracht, doordat meerdere onderwijzeressen — een viertal nu — zich daaraan kunnen wijden en de klassen daardoor kleiner werden, wat de meisjes ten goede komt. Ook het machine-naaien wordt onderwezen.

Het leerlingental, dat bij het begin van 1917 met inbegrip van de 5-jarigen, die voor de Wet niet meegeteld werden, 237 bedroeg, schommelde heen en weer, meestal tengevolge van verhuizingen omstreeks Mei. Het laagste getal in deze, periode genoteerd was 179, het hoogste 304. Een enorm verschil dus.

1) De geheele ontwikkelingsgang, die oorspronkelijk voortvloeide uit de bepalingen der Vereeniging voor Chr. Nat. Schoolonderwijs, te beschrijven, zou te ver voeren.

Sluiten