Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'k Zal gedenken, hoe voor dezen Ons de Heer heeft gunst bewezen, 'k Zal de wond'ren gadeslaan, Die Gij hebt van ouds gedaan.

Psalm 77 | 7.

1. De indiening van de wet-Kappeyne.

De 11e Maart 1878 was voor de voorstanders van het Christelijk onderwijs een dies ater, een zwarte, sombere dag.

Op dezen datum werd bij de Tweede Kamer ingediend de nieuwe schoolwet van Minister Kappeyne van de Coppello, den liberalen despoot bij uitnemendheid, die eenige jaren geleden in trotsche arrogantie had gezegd: „De minderheid moet maar onderdrukt worden, want zij is de vlieg, die de gansche zalf bederft, en zij heeft in onze maatschappij geen recht van bestaan meer".1)

Maar al te duidelijk bleek, dat Minister Kappeyne, die deze woorden had uitgesproken ten aanzien van de leerplicht, ook met betrekking tot het Christelijk onderwijs deze gedragslijn wilde volgen.

Waren de voorstanders van de school met den Bijbel vóór 1878 met geesels gekastijd, door de „Scherpe Resolutie", welke voor hen een worgwet was, werden zij met schorpioenen gekastijd.

Niet alleen werd elke tegemoetkoming in den vorm van „subsidie", subventie, restitutie of welken vorm ook, als niet geoorloofd hooghartig geweigerd, maar ook maakte deze Rehabeam het jak nog veel harder: de kosten voor de bijzondere scholen werden aanmerkelijk opgedreven en van haar personeel werden zij voor een goed deel beroofd.

J) Deze woorden verschilden niet zoo heel veel van wat Prof. Opzoomer enkele jaren voordien schreef: „Daarom zal een staatkunde, die alken het heil des lands beoogt, den strijd der meeningen zoeken te beslechten door öf de strijdende krachten te verzoenen en de scherpste punten af te breken, öf de sterkere in het onderdrukken der zwakkere bij te staan".

Sluiten