Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In deze sympathieke houding jegens het bijzonder onderwijs stond Minister Pijnacker Hordijk ais liberaal niet alleen. Integen deel. Een toonaangevend lid, Dr. Mees, zeide enkele jaren later: „Wanneer ik voor mij bereid ben een conciliante houding aan te nemen tegenover het Christelijk onderwijs, dan komt dat niet voort uit gemakzucht, maar berust het op een beginsel. In welken toestand zijn wij gekomen? Tegenover den voortgang van moderne ideeën hebben anderen, gehecht aan het oude, zich eenigszins angstig teruggetrokken en wenschen voor hun kinderen onderwijs, geheel in hun geest, een ander dan op de openbare school wordt gegeven, en hebben den ernst van die begeerte bewezen door zeer belangrijke geldelijke offers. Het aantal van hen, die uit eigener beweging bezwaren tegen de openbare school hebben, is groot genoeg om van onze zijde ernstig met die bezwaren rekening te houden en te doen wat in ons vermogen is om daaraan tegemoet te komen. Er is hier inderdaad m.i. een vrijzinnig beginsel in het spel. Ik voor mij zal nimmer mijn vrijheid van denken door iemand laten belemmeren, maar evenzeer wensch ik te eerbiedigen de overtuiging van anderen, al sta ik zoo ver mogelijk van hen af, — zoolang zij niet de alleenheerschappij willen voeren. Wij staan thans voor het feit, dat met aandrang subsidie wordt verlangd. En nu geloof ik, dat er bij den toestand, waarin de gemoederen van velen in het land verkeeren, geen principieel bezwaar van onze zijde behoeft te bestaan om daartoe mee te werken"1).

Als gevolg van deze kentering in de houding der liberale partij kon Minister Pijnacker Hordijk in 1883 in de Tweede Kamer verklaren: „Indien de wet-Kappeyne thans moest worden aangenomen, zou zij geen twintig stemmen voor zich verkrijgen".

3. Het optreden van het kabinet-Mackay.

De 1 le Maart 1878 was, zoo zagen wij, een dies ater voor het Christelijk onderwijs.

!) Zie: Prof. Mr. R. Kranenburg, „Het Nederl. Staatsrecht", deel II, 4e dr., blz. 435 v.v.

Sluiten