Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat de Christus , voor dat Hij als mensch in deze wereld verscheen, een persoonlijk bestaan had, wordt door de genen, met wie wij hier te doen hebben, niet tegengesproken. Doch in dat voorbestaan is, volgens eene voorstelling in de merkwaardige Verhandeling van het Tijdschrift (Jaargang 1841. pt* Stuk) over het Verband tusschen jesus vroeger hemelsch en later aardsch leven, jesus Christus een ongenoemd Goddelijk Persoon, een hoog verheven Wezen nevens God, en van de hooge Godheid onderscheiden. 1 Wij daarentegen belijden jesus christds , naar Zijne hoogere natuur, als God' van eeuwigheid , als den jehova Israëls, die in de volheid der tijden gekomen is als mensch in de wereld, en aldaar als Godmensch, die Hij ook in eeuwigheid blijven zal, het werk der verlossing heeft volbracht. Jesus Christus , zeggen wij, is de Zoon van God zijnde even waarachtig God, als Hij door Zoon des menschen te worden waarachtig mensch werd.

Die belijdenis wordt uit de Schriften van Oud en Nieuw Testament op tweederlei wijs als de eenig ware gerechtvaardigd. De Godheid van den christus, de menschwording van jehova , is in alle de Schriften, bij Apostelen zoo wel als Propheten, overal ondersteld, in geheel den zamenhang der Schriften ingeweven, in geheel het zamenstel der Goddelijke Openbaring organisch, om het dus uit te drukken, levend. a Zij is eveneens door de

1 Bladz. 878 van deie zelfde Jaargang wordt Hij de heilige hemeling genoemd, die reeds in hooger sfeer zich had geoefend in deugd en wijsheid.

men zie hieromtrent eenige wenken in een Opstel over jeids christüs , den Heere, in de Stemmen en Beschouwingen, 1. BI. 529—538. Meer opzettelijk werd dit geheele punt behandeld

Sluiten