Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleiding

„Het Réveil is slechts weer te geven in de personen." Deze woorden van Mejuffrouw M. E. Kluit in de voorrede van haar boek „Het Réveil in Nederland" zijn wel zeer karakteristiek voor deze geestelijke opwekking in het begin der 19e eeuw. Als wij aan het Réveil denken, dan denken wij aan mannen als Bilderdijk, Da Costa, de Clercq, Groen van Prinsterer en nog zoo vele anderen. Bij eerste oppervlakkige beschouwing spreken deze namen ons al toe, ieder in hun eigen beteekenis. Maar dan dringt zich een vraag aan ons op: „Waar zijn de vrouwen uit dien kring?" Niet dan zeer terloops worden haar namen genoemd in de vele studies, die over het Réveil geschreven zijn. Een enkele maal treden zij wat meer voor het voetlicht. Maar al te dikwijls blijven haar gestalten vaag en onwezenlijk.

Laat de geestelijke strijd van die dagen haar onbewogen, springt de vonk niet over? Is ook haar leven, evenals dat van tal van andere vrouwen uit dien tijd, begrensd binnen den engen kring van beperkte belangstelling, omgeven door hooge muren van conventie en standsvooroordeel?

De eenige mogelijkheid, om antwoord op deze vragen te krijgen, is het lezen van haar brieven. Haar uitgebreide correspondenties zijn het eenige middel om de vrouwen uit den Réveilkring te leeren kennen. In het Réveilarchief liggen vele honderden van deze brieven veilig bewaard. Het fijne handschrift van Mevrouw Groen van Prinsterer, het wat resoluter handschrift van Mevrouw Pierson- Oyens, zijn karakteristiek voor beide persoonlijkheden. Het rustige gelijkmatige handschrift van Mevrouw Groen van Prinsterer spreekt van een evenwichtige beheerschte natuur. Al lezende wint haar beeld aan scherpte en klaarheid en we zien haar voor ons. Een vrouw, die midden in de geestelijke stroomingen van haar

Sluiten