Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Heilig Avondmaal.

10-1-32 „Wij gaan Zondag aan 't Avondmaal, 't Is een overheerlijk feest voor de ziel die leerde Christus lief te hebben, om daar aan te zitten en gedachtenis van Zijnen dood te vieren, en voedsel ten eeuwigen leven te ontvangen.

„Voor mij is 't dikwijls heerlijk geweest, nergens voelde ik des Heeren tegenwoordigheid, dunkt mij, zoo levendig als daar aan Zijne heilige tafel; nergens zóó sterk Zijne onuitsprekelijke liefde en onzen verloren toestand wanneer wij geen deel aan Hem hebben."

Mogt ook dit Avondmaal gezegend zijn aan onze harten."

De leden des lichaams.

21-1-32 „Ik hou waarlijk veel van de leden des lichaams te zien, maar 't opzoeken vergeet ik zoo dikwijls en dan de vrees voor te groote vereeniging — 't hart is zoo koud."

27-2-32 „Maar eigenlijk komt 't mij somtijds voor dat de omgang met sommige Christenen nog moeilijker en gevaarlijker is dan met de wereld."

De Wachters op Zions muren.

28-7-32 „Als God eerst aan de Predikanten voor hunne eigene zielen, om hunne eigene bekeering leert bidden, dan zullen ze zich ook wel gedrongen voelen om voor dit arme land en voor de kerk van Christus te bidden. Als ik aan den toestand van die kerk denk, aan het groot getal blinden, aan de weinige getrouwe wachters, aan de arme kudde, dan is het alles zoo benauwd en donker, maar Zijn arm is niet verkort."

Sluiten