Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ons getuigenis.

21-2-39 „Dat stil zitten als er toch waarlijk om ons heen honger en dorst is, ik kan het mij niet verklaren. Ieder zal toch een getuigenis afleggen en woekeren met het talent. Willem in zijne historische werken, gij en uwe vrienden ook in historie en letterkunde."

Verlangen naar gemeenschappelijk gebed.

16-2-40 „Ik wenschte wel nu en dan toch in uw midden te wezen, met u te bidden, beste vrienden. Ik heb alles noodig, 't schijnt alsof mijn leven Gode verheerlijkend is, maar wat zou het zijn als dat arme hart werd opengelegd, als niet de mantel des Heeren alles kon bedekken. Zijn bloed alles reinigen."

„Waakt dan "

14-1-41 „O dat wij allen wakende en biddende mogten zijn, wie weet hoe spoedig de Heer komt!"

De brieven worden zeldzamer.

„Vergeef mij toch, beste Caroline, dat ik zoo lang wachtte met de beantwoording uwer lieve letteren; ik ben niet meer zooals vroeger vlug met de pen, en overal correspondeerende: als ik mij voorstel hoe ik kort na uw vertrek, bijna dagelijks schreef en nu nauwelijks iets belangrijk genoeg vinde om het u mede te deelen, dan kan ik nauwelijks het onderscheid begrijpen."

„Ik heb veel te doen. Overigens wacht ik op den Heer."

Sluiten