Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien is Paulus de eigenlijke grondlegger van alle liturgie doordat hij het oudchristelijk liefdemaal, de Agapè, losmaakte van de sacramentsviering en aan deze haar centraal karakter gaf. Waar een man als Lietzmann zoo oordeelt, moeten wij met de „soberheid" van Paulus toch ietwat voorzichtig zijn en hem als inspirator van de liturgische beweging niet bij voorbaat disqualificeeren.

Op de noodlottigste historische vergissing heeft Van de Pol reeds de aandacht gevestigd: de Reformatie wordt vrijwel gelijk gesteld met het Puritanisme. Dat is niet alleen historisch geheel onjuist, het is ook onbillijk tegenover hen, die zich met trots kinderen der Hervorming noemen, doch de Puriteinen alleen als verre familieleden willen erkennen. Puritanisme is nu eenmaal geen reformatorisch christendom zonder meer, het is niet eenmaal classiek reformatorisch. Er schuilt hier veel meer dan een historische dwaling, waarvoor Noordmans bij alle felheid heusch niet naïef genoeg is. Achter de historische onjuistheid ligt een onjuistheid van methode.

DE PHAENOMENOLOOG.

Ik zeg sedert jaren bij gelegenheid tot mijn vriend Noordmans, dat hij zulk een voortreffelijk godsdienstphaenomenoloog is. Wij glimlachen dan. Maar het is toch eigenlijk heel ernstig bedoeld. Daar ligt zijn eerbiedwekkende kracht, daar zijn even eerbiedwekkende zwakheid. Want hij is niet bewust phaenomenoloog, hij is niet mijn concurrent, — hij zou er feestelijk voor bedanken! Hij kan het eenvoudig niet laten. En de onbewuste phaenomenologen zijn de gevaarlijkste. In eiken goeden phaenomenoloog schuilt een aestheet en vizionair. En Noordmans is in beide qualiteiten van groot formaat. Hij vertrouwde mij toe, dat hij dit boek schreef omdat hij in het huidig liturgisch streven gevaar zag voor de kerk, die hij liefheeft en waarin hij als kleine jongen voor het eerst boven de bank kwam uitkijken. Die wilde hij liefst ongerept bewaren. — Ik kan dat begrijpen. De beschrijving, die Noordmans geeft van de kerk zijner kinderjaren, kan ik hoogelijk bewonderen. Maar ik kan als theoloog deze manier van doen niet billijken. Alle waarden zijn omgekeerd in dit boek, en dat is er de verkwikking van: de liturgen komen bij de Barthianen terecht, de Gereformeerden bij de Roomschen en ik moet tegen de phaenomenologie van Noordmans de theologie verdedigen. Ik kan er niets aan doen.

In den loop van dit boek kunnen wij Noordmans hooren zeggen, dat het woord „hoogdienst" hem „niet prettig aandoet" (16); ik zou hem met gelijke munt kunnen betalen en zeggen, dat het mij „niet prettig

Sluiten