Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aandoet" hem te hooren spreken van „de z.g. Praefatie in de Mis" (klinkt ongeveer als: het z.g. Wilhelmus, een lied uit den rebellentijd). Maar het zou wellicht beter zijn wanneer wij niet enkel maar vroegen wat ons prettig aandoet. De voortreffelijke phaenomenoloog Noordmans maakt zich een structuur, een ideaaltypus van dingen en menschen. Sommige daarvan heeft hij hartelijk lief, andere doen hem niet prettig aan. Maar wanneer een trek in dingen of menschen niet overeenkomt met zijn ideaaltypus, dan is dat ongeoorloofd. Het moet worden gecorrigeerd. Zoo zijn er „dingen, die bij onze geloofsbelijdenis niet passen", zooals een boer niet op een salet en een dominee niet in een draaimolen passen. En er zijn menschen, die niet heelemaal passen in de rol, die de schrijver voor hen heeft uitgedacht.

Vooral met de menschen is dat soms lichtelijk irriteerend. Noordmans is als de man uit het Evangelie: hij „ziet de menschen als boomen wandelen". Maar hij ziet ze niet steeds „ver en klaar". Zoo heeft hij een eigenaardig begrip: „moderne liturgie", waaronder alles gevat wordt wat hem niet bevalt. De voortreffelijke phaenomenoloog Robert Will wordt daarbij tot een hoofdman van de liturgische beweging (hetgeen hij nimmer is geweest), maar Gerretsen (die het wèl is geweest) wordt vergeten. Luther wordt tot een soort liturgenvreter; bij Stahlin (Yom göttlichen Geheimnis) is hij de man op wien de liturgische beweging zich bij voorkeur beroept. Natuurlijk weet Noordmans ook wel, dat er in Luther trekken zijn, die met zijn structuur van den Hervormer niet kloppen; maar die zijn dan ook „niet geheel reformatorisch" (92). — Zoo wordt alles geconstrueerd. Natuurlijk doet elk phaenomenoloog en elk historicus dat tot op zekere hoogte. Maar men verwacht van hem, dat hij weet wat hij doet. En Noordmans geeft niet altijd blijk dit te weten. Zeker niet wanneer hij de nederlandsche liturgen tegen elkaar uitspeelt en hen elk netjes op zijn plaats zet (in den regel in dubbelen zin!) *).

Ik wil daarom uitdrukkelijk constateeren, dat ik in dit artikel voor mijzelf spreek. Wij liturgen zijn niet klaar en kunnen ons niet bepalen tot beschrijving van typen. Wij zoeken iets en wij zoeken het niet allen op dezelfde wijze. Met veel van wat ik zeggen ga, zullen andere liturgen het eens zijn, maar zeker niet met alles. Mijn onbezonnenheid mag niet tegen hen worden uitgespeeld, evenmin als hun

i) rwt is een van de drie dingen in het boek, die mi] voorkomen niet met de grootmoedigheid van den auteur te strooken en die ik met verdriet gelezen heb. De schoolmeester is hier den pastor de baas: Aalders, die veel te ver op het gtevaariijke pad gaat, maar met bezonnenheid; Blaauw, die wel liturg is, maar voor wien men toch niet bezorgd hoeft te zijn; een kring, waarin men „niet genoeg op zijn hoede is", — dat is niet de toon, dien wij van den auteur verwachten.

Sluiten