Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die wij in zijn dienst behoeven, een verband, dat wij het best met het woord analogie aanduiden. Die orde is inderdaad géén systeem; zij is open, de kerk is slechts kerk, wanneer zij open deuren heeft, waardoor het geloof, maar ook de zonde binnen kunnen komen (78). Dit alles, dat Noordmans zoo na aan het hart ligt, is ons, liturgen, uit het hart gegrepen. Wij willen geen hemel op aarde. Wij willen God niet verplichten om naar de kerk te gaan, wanneer wij ons daarheen begeven. Maar wij willen evenmin een orde, die niet anders is dan een willekeurige volgorde, evenmin een liturgie, die niet anders is dan een bundeltje bijeen gebonden formulieren, zooals Noordmans het zoo bewondert. Wij willen in de kerk niet anders dan wat God ons geeft, niet anders dan zijn orde. We bezitten dien schat in aarden vaten, wij volbrengen den dienst in zonde, maar wij moeten weten, dat het de dienst Gods is. Anders behoeven wij er niet aan te beginnen. De orde is geen „fragmentarische", toevallige volgorde, de orde heeft een middelpunt, een brandpunt. En over dit brandpunt zijn wij het niet eens.

AANBIDDING EN BELIJDENIS.

Dit middelpunt zoekt Noordmans niet in aanbidding en belijdenis. Het is wel heel jammer, dat hij het prachtige boekje van Gerretsen over Liturgie (van 1911) niet heeft gelezen, waarvan de liturgische beweging ten onzent voor een goed deel is uitgegaan en waar juist over deze beide zulke diepe en schoone dingen worden gezegd. Daar had hij kunnen lezen dat de goede liturg een „episch temperament" moet hebben om de stem der kerk te kunnen doen klinken, om de eigen persoonlijkheid te doen terugtreden achter de figuur van den heraut van Gods heil. Daar had hij geweldige bladzijden kunnen lezen over de majesteit van de liturgische monotonie. En ook, dat de liturgie het dak van het huis is, waaronder wij ons allen scharen. — Van dit alles vind ik in Noordmans' boek weinig. Er staat trouwens opvallend weinig in over de gemeente, als draagster van de liturgie. En bijna niets over aanbidding en belijdenis 1).

„SOBERE" EEREDIENST.

Niet, dat ik zou meenen, dat in aanbidding en belijdenis op zichzelve het middelpunt van de orde zou zijn te vinden. Zij zijn de

*) In dit verband moet ik zelfs de tweede ontsporing constateeren: de gemeenschappelijke belijdenis in verband te brengen met spreekkoren en daarbij te gewagen van „totalitair bidden" (82) is een gedachte, die slechts kan opkomen bij iemand, die den gcddelijken zegen van de gemeenschappelijke belijdenis niet kent. En zoo iemand zou dan daarover liever moeten zwijgen. Dit is niet alleen grievend, maar, wat erger is ook profaan.

Sluiten