Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan ons een wonder doet. En de bedoeling van het nieuwe verband tusschen ethiek en liturgie, dat ik leg, is juist beide geheel open te houden: open naar den kant van God, zonder Wien geen van beide kunnen bestaan; open, ook naar den kant van de zonde, die beide telkens weer bederft. Christelijk leven en eeredienst zijn, als eschatologische sferen, beide even hachelijk. Maar daarom zijn ze niet minder mogelijk. Ze zijn mogelijk als dienst, door menschen verricht in de kracht van den dienst, dien God aan hen in Christus verricht heeft. En hier vind ik bij Noordmans niet slechts wantrouwen tegenover medetheologen, maar wantrouwen tegenjöver God. Hier vind ik niet het vaste vertrouwen op Gods beloften, op Gods wondermacht, hier vind ik wel het geweldige besef van onmacht, dat een Paulus kenmerkte, maar niet zijn: als ik zwak ben, dan ben ik machtig.

Noordmans verdenkt mij ervan alles te willen afronden; daar betrek ik zelfs de engelen uit de Praefatie (die hier waarachtig alweer een gebed (!) uit de Mis (!) heet) in. Het schijnt hem te ontgaan, dat men met engelen niet veel „afronden" kan. Zij laten zich daartoe niet gebruiken. Zij zijn dadelijk weer op weg naar den hemel. En wij hebben het nakijken.... Tenzij wij ons in trotsche nederigheid willen schikken, mèt de engelen en aartsengelen en het gansche hemelsche heir in den dienst van Gods heiligheid. — Noordmans komt nu (105) eindelijk tot de hoofdzaak: ik zie in het werk van den Heiligen Geest „vorm èn critiek daarop". Hij meent, dat dit onmogelijk is. Wij vechten hier op het cardinale punt, waar wij reeds herhaaldelijk elkander ontmoet hebben; bij het Beeld Gods en bij de Schepping was het niet anders. Voor Noordmans is Schepping, ook de Schepping van den Heiligen Geest, critiek, oordeel; voor mij is zij dat ook. Maar ik zie in de Schepping, zoowel in Gods schepping in den beginne als in zijn schepping van ons verloste leven, ook vorm, den vorm der Incarnatie, den gebroken en geoordeelden, maar niettemin werkelijken en goddelijken vorm van den Gekruisigde. Noordmans beweert, dat dit niet kan. Iets kan niet tegelijk critiek en vorm zijn. Hij geeft daarvoor geen verdere reden op. Toch ware dit zeer gewenscht. Want ik vind dit standpunt niet dialectisch genoeg. Het is te formeel, te rationeel. Erger: het is niet bijbelsch, het rekent niet met de wijze, waarop ons in den Bijbel Gods werk wordt geteekend. Daar is het van de eerste tot de laatste bladzijde: formeeren en oordeelen, oordeelen en formeeren. Een wereld wordt geformeerd en geoordeeld, een volk gesteld en verworpen; een oordeel aangezegd en verlossing gebracht. In Christus zijn de beide elementen van Gods doen volkomen één geworden: Hij is de nieuwe werkelijkheid, de

Sluiten