Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de zijde, waar ik sta, aanspraak maken op theologische behandeling, terwijl ik voor de liturgische beweging, zooals die zich de laatste jaren heeft ontwikkeld, de waarschuwing voor syncretisme als gevolg van een mystisch realisme moet herhalen. Ik voel mij, na het artikel van Yan der Leeuw, als theoloog nog niet heelemaal dood. En daarom zou ik hem willen vragen zich nog eens weer op deze hoofdlijnen, waarlangs wij ons bewegen, te bezinnen. Want hier, indien ergens, gaat het om de zaak.

Daarom mag ik nu misschien even pauseeren en een paar kleinere dingen behandelen.

Prof. Yan der Leeuw heeft een drietal klachten kenbaar gemaakt over de behandeling die ik, gelukkig dan bij uitzondering, aan den liturgischen kring zou hebben aangedaan. Hij heeft ze in noten ondergebracht, zoodat de lezer ze ook kan overslaan. Dat is een zoo charmante wijze van doen, dat ik er bijna niet toe komen kan maar niet eenvoudig te bekennen. Nu ik echter nog eens heb nagelezen, waarop ze betrekking hebben, wil ik er toch iets van zeggen.

Wat de eerste noot betref t (164), kan ik niet goed zien wat ik in dezen heb misdaan. Wat ik schreef over Aalders en Blaauw, durf ik den lezer en dezen heeren zelf best ter beoordeeling laten. Wanneer nu Ter Haar Romeny nog een beetje op zijn achtersten zolder was! Maar voor mijn doel was het beslist noodig om te laten uitkomen, hoe weinig homogeen de beweging nog is. — Over het woord „schoolmeester", dat Van der Leeuw hier gebruikt, kan ik niet oordeelen; ik heb nooit onderwijsbevoegdheid gehad. Wel herinner ik mij dat ik het hem zelf aan de hand gedaan heb, toen hij, kort na de verschijning van mijn boek, mondeling een vorm voor deze zelfde klacht stond te zoeken. Hij verbeterde mij toen en stelde voor: doctoraal. In de noot vind ik nu toch mijn eigen terminologie terug. Ik zou willen adviseeren die nu te laten staan.

De tweede noot (167) spreekt van een ontsporing. Het gaat hier over wat ik in mijn boek (82) „totalitair bidden" heb genoemd. Dit is een veel teerdere zaak. En tegelijk een veel hardere. Het is de kwestie van Kerkhervorming. Ik heb bij de correctie van mijn boek lang geaarzeld of ik het zou laten staan. Hier botsen twee kerkelijke volksgroepen op een hoek van de straat.

De derde noot (176) bevat een persoonlijke klacht van Van der Leeuw. Wat ik in Liturgie (110) opmerkte naar aanleiding van wat hij indertijd in Van Tijd tot Tijd over het dansen schreef, heeft hem bedroefd. Over den dans zelf, als liturgischen vorm, moet ik verderop nog iets zeggen. Hier wil ik er alleen mijn leedwezen over uitspreken, dat ik

Sluiten