Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

theologie opkomt. Hij schrijft dat het Woord in den Bijbel het Scheppingswoord is en dat het bij mij een mengsel is van humanisme en idealisme, van letterlijken zin en idee.

Dat is zeer ernstig en wij komen hier weer tot het hart van de kwestie inzake liturgie. Het gaat er om of de zijns-categorieën in den cultus overheerschen of de grammaticale. Luther heeft gezegd dat de kracht van het Evangelie in de voornaamwoorden schuilt. In het uw en het mijn, het Hij en het Zijn. En ik geloof dat hij gelijk heeft. De Heidelbergsche Catechismus begint ook op die wijze.

God komt in den Bijbel niet altijd op dezelfde wijze tot ons. Mozes zag hem op den berg Sinaï van achteren. Men kan dan wel zien dat Hij de Schepper is. Maar het is beter om Zijn aangezicht te zien. Men weet dan dat Hij de Vader is. Zoo is het ook met Zijn Woord. Wanneer er sprake is van het vocale woord, dan is daarmede niet ontkend dat door het Woord des Heeren de hemelen gemaakt zijn en door den Geest Zijns monds al hun heir, maar dan is daarmee toch die zijde van Gods Woord aangewezen, die in de kerk tot openbaring komt. Het is die vorm van Gods Woord, die Evangelie heet. God is in de kerk, op het altaar, niet bezig met scheppen, maar Hij spreekt aan de Avondmaalstafel tot Zijn gemeente. Dat bedoelt ook Calvijn, als hij zegt dat het sacrament bijna niets is zonder de belofte die „clara voce" door den Dienaar gesproken wordt. Daarin schuilt een verweer. De schepping als zoodanig, het binnenroepen van de zijns-categorieën, is in de kerk niet toelaatbaar. Dat is instelling van een mysteriewezen.

Ik kom nu tot den dans als figuur om de geslotenheid van den eeredienst volgens modern-liturgisch program uit te beelden. Ik heb daarover een en ander gezegd in mijn boek, vooral in het hoofdstuk Liturgie en Leven. Ik krijg ten antwoord dat ik van dansen geen verstand heb (173), want dat déze naar alle kanten open is.

Hier zou ik bijna een noot willen plaatsen met een klacht. Ik vind deze beantwoording van mijn, naar alle kanten geadstrueerd en met citaten verlucht betoog, eerlijk gezegd, wel wat nonchalant en luchtig. — Ik heb mijn visie in dezen te danken aan een beroemde Enneade van Plotinus x), waarin hij voor zijn cosmisch systeem een samenhang vindiceert, dien ik vroeger eens als correspondeerende causaliteit2) heb betiteld. Dezen oorsprong van mijn figuur heb ik in mijn Liturgie zelf aangeduid 3). Ik zal hier niet herhalen wat ik daar over de liturgische formatie, de gesloten communicatie, de deelname gezegd heb. De liturgische verhoudingen die daarmee worden aangeduid en die i) IV, 4, 31—39. 2) Augustinus 241. 3) Blz. 107.

Sluiten