Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nochtans zijn er in ditzelfde vijfde hoofdstuk ook punten, waarbij ik minder gaarne mij zou nederleggen.

Zoo vindt men op bl. 67 gezegd, dat juridisch ook in 1814 de aard van het monarchaal gezag ten onzent anders was dan zelfs in Engeland. Daar toch gaat de Staat op in den Vorst. Bij ons niet alzoo: „De Grondwet toch onderscheidde den Staat der Vereenigde Nederlanden van den Souvereinen Vorst; ..." Ten bewijze dezer uitspraak voert de Schrijver art. 106 onzer vroegere grondwet aan, hetwelk bepaalde: „De Hooge Raad oordeelt over alle actiën, waarin de Souvereine Vorst, de Leden van het Vorstelijk Huis, of de Staat, als gedaagden, worden aangesproken." De kracht van dit argument dunkt mij niet zeer groot. Dat er een rechtspersoon is, welke „Staat" genoemd wordt, en onderscheiden dient te worden van het staatsgezag, den „Staat", door welken die rechtspersoon wordt vertegenwoordigd , ontkennen de voorstanders van het monarchaal beginsel, hetwelk de heer T e 11 e g e n daar ter plaatse bedoelt te bestrijden, geenszins. Onze tegenwoordige grondwet, welke mede dien rechtspersoon kent, verbiedt daarom niet, dat ook ten onzent de Koning kan zeggen: „L' Etat" — Staat nu in anderen zin, in den zin van gezag, genomen — „c'est moi". De Koning is schaduw van den Souvereinen God. Maar er bestaat niet binnen den kring van het geschapene als Staat een gezag, waarvan dan de Koning slechts de vertegenwoordiger, of een orgaan zoude wezen. Hij zelf is dat aardsche gezag, dat, met het oog op de beteekenis, de bevoegdheid, die het heeft, vaak Staat wordt genoemd. Staat in dien zin is gelijk Koning. Wat van Staatswege is bevolen , is zulks van 's Koningswege, en omgekeerd.

De heer Tellegen beschrijft echter den Vorst volgens de grondwet van 1814 aldus: hij „was een orgaan van het, hoewel onzichtbare, toch bestaande lichaam. Hij wasechter niet dat lichaam zelf". Slechts is de vraag, wat hier onder

reiniteit moet toekennen. Cf. o. a. Groen's Verscheidenheden over Staatsregt en Politiek, bl, 138 en vlgg,

Sluiten