Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van art. 15 der Fransche Charte van 1814 is '), aan hare voorgangster, trots de wijze waarop zich van Hogendorp en van Maanen uitdrukten2), vreemd gebleven was 3). En mag, ja moet men m. i. het zooeven genoemd artikel eenvoudig aldus interpreteeren, dat de Koning geen wet mag geven, tenzy de Staten-Generaal daarin hebben toegestemd, zonder dat zij door die bevoegdheid ook aandeel in de wetgevende macht zelve, en alzoo in de Souvereiniteit, erlangen4), hoeveel te eer moet dan niet aldus de verhouding tusschen den Souverein en de Volksvertegenwoordiging onder de grondwet van 1814 worden opgevat, toen nog niet die doek op de grenslijn was gevallen, waardoor het thans moeielijker valt de afscheiding terug te vinden 5).

Ook dunkt het mij niet geheel nauwkeurig, te zeggen, dat de Staten-Generaal alleen bij de wetgeving betrokken werden, of, zooals zich de hoogleeraar Tellegen uitdrukt , dat hun „niets werd toegekend dan een aandeel in de wetgevende Macht" enz. Ik verwijze slechts naar art. 11 dier grondwet, hetwelk aldus luidt: „Indien door onvoor-

') Cf. Thorbecke, Aanteelcening op de Grondwet, 2de ed.; dl. I, bl. 282.

J) Cf. Tellegen, t. a. p., bl. 75 en bl. 222.

3) De heer Tellegen herinnert, t. a. p. bl. 75, zelf daaraan.

4) In de stukken, heden ten dage tusschen de Regeering en de Staten-Generaal gewisseld, wordt telkens zelfs de Volksvertegenwoordiging alleen met den naam van wetgevende maeht aangeduid.

5) De heer Tellegen schrijft, t. a. p., bl. 68: „Het formulier voor de afkondiging der wet, in de Grondwet opgenomen , ging van het denkbeeld uit, dat de Vorst de wetgever was, die met gemeen overleg der Staten-Generaal goedvond en verstond, eene wet uit te vaardigen." Ik aciit het jammer, dat de hoogleeraar Tellegen bij de uiteenzetting van den regeeringsvorm niet meer aan dat denkbeeld heeft vastgehouden, hetwelk in het systeem der grondwet volkomen paste. En zelfs in onze grondwet, gelijk zij thans luidt, is er veel meer, wat er voor pleit om van die opvatting uit het systeem onzer staatsregeling te construeeren, dan om haar als geantiqueerd buiten het geheel onzer instellingen te dringen.

Sluiten